Bericht aan de bevolking (15) Een ontdekking in het trottoir

Pascal Verbeken
12.05.2020
Fill 2 Created with Sketch. Auteurstekst
Pverbeken Paratonnerres Melsens

‘Social distancing’ is wat Corona-experts adviseren, ‘social nearness’ is wat we met onze literaire ontmoetingen beogen. Passa Porta wil het contact met lezers en schrijvers niet verliezen en vraagt een selectie auteurs uit binnen-en buitenland om een persoonlijk ‘Bericht aan de bevolking’ vanuit hun schrijfkamer.

Pascal Verbeken heeft als een van Belgiës belangrijkste literaire non-fictieschrijvers een groot hart voor Brussel en Wallonië. De laatste tijd maakte hij regelmatig gebruik van een van de schrijfkamers in Passa Porta. Zijn spraakmakende boek Arm Wallonië werd door Anne-Laure Vignaux vertaald als La Terre promise. Verbeken is ook de auteur van Grand Central België. Voetreis door een verdwijnend land, Tranzyt Antwerpia. In het spoor van de Red Star Line en Duistere wegen. Vincent van Gogh in de Borinage. In 2019 verscheen zijn jongste boek Brutopia. De dromen van Brussel (De Bezige Bij).

-

Covid-19 is een mindfuck. Het vreet niet alleen de longen, maar ook de ziel op.

Wie al wankel in het leven stond, valt nu nog makkelijker ten prooi aan depressies, stress en angstaanvallen — het is nu al zeker: er komen nóg containers boeken van tv-psychiaters met de boodschap dat een beetje ongelukkig zijn best oké is.

Mijn ongemakken blijven vooralsnog beperkt tot een specifieke hallucinatie. Al meermaals verscheen mij in een verlaten straat de luchtspiegeling van een zinderend Café Monk, dat magnifieke drankpaleis in de Brusselse Katelijnestraat, waar mij een met kunde uitgeschonken Duvel wacht en Miles Davis door de open ramen waait. Het leven zoals het bedoeld is en gevierd moet worden. Het leven zoals het gisteren nog was. Meer dan ooit wantrouw ik goeroes in de mindfulness die ons voorhouden dat we moeten genieten van deze stilstand. Dan ben ik liever een volgeling van de onvolprezen Californische songsmid Warren Zevon:

I’ll sleep when I’m dead.

En toch is er niet alléén maar ellende, zo meldde mij een goede vriend uit het Waalse dorp Hastière. Tijdens zijn dagelijkse lockdownwandelingen in de bossen op de Maasheuvels hoorde hij voor het eerst geluiden die hem nooit eerder waren opgevallen. Een verre specht. Het ontwaken van bijen. Als pianist is hij gezegend met een superieur gehoor, maar pas in deze tijden van quarantaine viel het hem op dat de big band der natuur nog enkele instrumenten rijker is.

Iets soortgelijks vertelde een ornitoloog onlangs in de Brusselse stadskrant Bruzz: ‘De vogels zingen stiller, maar we horen ze luider.’ Dat kwam door het verminderde omgevingsgeluid van vliegtuigen en auto’s, dacht hij. Wellicht gaat dit op voor de stad, maar in Hastière is nooit veel lawaai geweest.

Zou het kunnen dat deze quarantainetijd onze zintuigen ongemerkt aanscherpt? In elk geval komt het fenomeen ook voor bij kloosterzusters en death row-bewoners, die in hun beperkte wereld veel meer details kunnen waarnemen dan buitenstaanders. Volgens voormelde ornitoloog speelt ook domweg verveling: ‘Plots zien en horen mensen dingen die er altijd al waren.’

Soit.

Een paar dagen geleden maakte ik zelf een wandeling in en rond het park van Tervuren aan de rand van het Zoniënwoud. De plantsoenen rond het Koloniënpaleis waren leeg. Het legendarische trammetje 44 reed zonder reizigers het station binnen en vertrok weer zonder opstappers. Een spookvehikel uit een schilderij van een Belgische surrealist.

In het trottoir bij het AfricaMuseum bespeurde ik een vierkant putdeksel met een bijzonder mooie vormgeving en belettering. Honderden keren moet ik er gedachteloos aan voorbij zijn gewandeld, maar het ligt er al sinds Leopold II zijn Congomuseum liet optrekken, aan het begin van de twintigste eeuw.

‘Paratonnerres Melsens’ stond er in gietijzer.

Een paratonnerre is een bliksemafleider, dat wist ik toevallig nog omdat paratonnerres een belangrijke rol spelen in de tekst van L'Orage van Georges Brassens. Van Melsens had ik nog nooit gehoord.

In mijn smartphone ontdekte ik ter plekke dat hij vereerd is met een uitgebreide pagina op Wikipedia. Louis Melsens was blijkbaar een licht excentriek, multidisciplinair genie waarvan er in het negentiende-eeuwse Brussel nog meer rondliepen. Hij was specialist in buskruit en ballistiek (waarvoor hij onderzoek deed naar de inslag van kogels bij mens en paard) en deed meerdere uitvindingen, onder andere een nieuw type bliksemafleider. ‘Daarbij werd een gebouw omringd met een netwerk van onderling verbonden geleiders, met inbegrip van grondaansluitingen en op de top van het gebouw meerdere pieken. De bliksemafleider van Melsens geldt als de verbeterde versie van de bliksemafleider die Benjamin Franklin uitvond.’ Wegens zijn verdiensten is Melsens vereerd met een naar hem genoemde straat bij het Katelijneplein.

’s Anderendaags keerde ik terug naar het Tervurense trottoir om het putdeksel te fotograferen: de glorieuze naam Melsens staat in grote, heldere kapitalen boven een bundel bliksemschichten. Weer was er die onwerkelijke stilte in de straten en het park.

Ik moest denken aan de gouden Brusselse eeuw, ongeveer samenvallend met de levenstijd van Melsens, toen de wetenschappen en kunsten een hoge, ijle vlucht namen. Een tijd van ontdekking, experiment, branie en bijna obscene rijkdom voor de bovenklasse. ‘Bruxelles capitale, Paris province,’ schreef de schilder Antoine Wiertz uitdagend in een pamflet. Buiten Brussel begon de Europese parking.

Maar Wiertz schilderde ook het schilderij De overhaaste begrafenis (1854, Melsens was toen veertig) waarop een choleraslachtoffer weer uit de kist kruipt waarin hij al te snel was afgelegd. Epidemieën als cholera en tyfus raasden over heel België. In 1866 werden er 43.000 choleradoden geteld.

Zou dat kunnen verklaren waarom de Wikipagina bijna terloops vermeldt dat Melsens ook de uitvinder is van het populaire ontsmettingsmiddel jodiumtinctuur?



Pascal Verbeken, mei 2020

Pascal Verbeken
12.05.2020