In residentie: Wat is mijn plek? - gepresenteerd door Annelies Verbeke

Muhanned Bennana
20.05.2020
Fill 2 Created with Sketch. Auteurstekst
Libye Muhannad Tekst

‘In de lente van 2018 maakte ik kennis met Muhanned Bennana in de Brusselse boekhandel Sans Souci. Ik was een van de lesgevers tijdens de eerste workshop creatief schrijven die mijn collega Sulaiman Addonia had georganiseerd voor mensen met een achtergrond als vluchteling of asielzoeker. Muhanned en ik werden later vrienden en ontmoetten elkaar regelmatig in Gent, waar we allebei wonen. Van bij het begin was het voor mij duidelijk dat Muhanned, die uit Libië was gevlucht omdat hij daar als kritisch journalist echt in gevaar was, veel talent voor poëtisch proza heeft. Alles wat hij schrijft, wordt door een zekere urgentie gekenmerkt. Het is duister, maar ook dromerig.

Omdat de inhoud daardoor soms wat hermetisch wordt voor de lezer, probeerde ik terwijl we heen en weer mailden te focussen op de essentie van wat hij wil vertellen. En op de vraag die hem was voorgelegd: ‘Wat is jouw plek?’ De eerste tekst die hij schreef voordat hij aan de onderstaande versie werkte, ging over writer’s block, de realiteit die te overweldigend is om rationeel te worden verwoord. Hij wilde een hele wereld creëren. Ik stelde voor dat hij met één huis zou starten.

Hij begint met het huis in Libië waar hij is opgegroeid, breidt dat uit tot een land, en meer dan een tiranniek regime dat hem dwong om een eeuwige buitenstaander te zijn, waarbij zelfs zijn taal [het Berbers, nvdr] van hem werd afgenomen. Ik vind dat Muhanned Bennana zijn ervaringen schitterend verwoordt. Zijn verhaal is erg lezenswaardig.’

Annelies Verbeke

_

Mijn plek is waar ik de ondergang kan beschrijven. Waar ik terug kan keren naar het slagveld om in slow motion door warm bloed te lopen terwijl ik met zachte stem het verhaal vertel.

Mijn plek is waar alle mensen elkaars verhalen kennen. Maar ik ben afgeweken van mijn doel sinds ik begon te schrijven. Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik afdrijf. Denken heeft mijn gedachten vergiftigd, maar het heeft me ook leren beseffen dat sommige vragen wat meer tijd nodig hebben. Antwoorden op verkeerde vragen leidt nergens toe, of in elk geval naar de verkeerde plek.

De vraag bracht mijn kwetsbaarheid aan het licht en gaf me een gevoel van schaamte omdat ik geen tastbare plek heb. Het is bijna een deel van me geworden, een verband dat aan een oude wond kleeft. Ik kon het zien zoals ik de zon aan het einde van de weg kan zien, maar die weg bracht me niet naar de zon, en evenmin naar mijn plek.

Op het ogenblik dat ik besloot om vreemden toe te laten tot mijn plek, stortte die in. Het is een ruïnelandschap dat ik niet kan uitwissen. Ik speel met woorden om te verhullen dat ik alleen foute plattegronden heb. Mijn plek ontbreekt. Maar de fundamenten zijn in kleine stukken verdeeld die op een dag weer in elkaar zullen passen.

Het eerste stuk van mijn plek is het huis waar ik mijn eerste boek vond. Het was fragmentarisch en had geen titel. Twintig jaar later ontdekte ik dat het door de Leider was geschreven. Het boek was een van de voorwerpen die me hielpen om het huis te omschrijven.

*

De Grote Socialistische Nationale Pan-nationalistische Massavolksstaat.

Zelfs in de oorspronkelijke taal was het niet duidelijk. We noemden het gewoon De Grote.

In ons huis werd met ‘kleuren’ maar één kleur bedoeld, en bestond de mensheid onveranderlijk uit mannen. Zelfs God was een man die zich verborgen hield. Gevoelens werden geplaybackt van liedjes, liefde was iets waar we naar keken in soaps, vrijheid werd belichaamd door glanzende spandoeken, betekenissen werden omgedraaid, woorden waren misleidend en gebruiken primitief.

In ons huis waart nog steeds de geest van een bedoeïentent rond. De koude betonnen structuur is niet meer dan een mentaal vacuüm vol grijze wegen die plots de aarde openscheurden nadat er olie was ontdekt. Onze kortstondige rijkdom is een natuurlijk toeval dat is uitgegroeid tot een vloek. Ons huis is waar de mens vuur leerde blussen! Een plek waar het donker een kleur had. Een binnenwoestijn met een gesloten deur.

In het begin waren familieleden gebiologeerd door de stem en de utopische toespraken van de Leider. Ze waren betrokken bij zijn plannen om de vijanden van de Revolutie te bestrijden door allerlei korpsen op te richten, zoals de Revolutionaire Garde, met als enig motto: ‘Geen revolutionairen buiten de revolutionaire comités.’ Ze waren gevangen in de fantasieën van de Leider.

De Leider voerde een ‘Derde Universele Theorie’ in en bepaalde de beginselen daarvan in Het Groene Boek. Daarin stonden oplossingen voor de dilemma’s van de mensheid. Zo bestond de ‘Oplossing voor het Democratische Probleem’ erin om voorstanders van politieke partijen op te hangen. Of de ‘Oplossing voor het Economische Probleem’ om oliewinsten uit te geven en buitenlandse producten een andere naam te geven: Philips werd zo Garyounis, een plaatsnaam die verwijst naar een slag tegen de Witte bezetter. Het pamflet van 180 bladzijden had een groot lettertype en brede marges. Op het achterplat schreef de uitgever: ‘Dit boek luidt ongetwijfeld het begin in van een sociale revolutie met een waarheidsgetrouwe interpretatie van de geschiedenis en een oplossing voor de conflicten van de mensheid.’

Voordat hij zijn Boek publiceerde, beval de Leider om bibliotheken te sluiten en buitenlandse boeken te verbranden. Hij verbood ook het onderwijs van vreemde talen (met inbegrip van mijn moedertaal). Zodoende kondigde hij ‘De Culturele Revolutie’ aan. Later kwamen er monumenten in de vorm van drie betonnen boeken op elke straathoek. De Leider bedacht ook nieuwe namen voor de kalender: januari werd ‘de Maand van het Vuur’, en september, de maand waarin we alles groen begonnen te schilderen, werd ‘de Maand van de Veroveraar’.

We hadden maar een televisiekanaal. Dat noemden we ‘de Egel’ omdat het logo op een halve zon leek waar met islamitische motieven verweven Arabische letters omheen stonden. En er was maar een programma, Het Nieuws, dat tientallen jaren hetzelfde nieuws bracht, met lyrische stukken over de met een van zijn vele titels aangeduide Leider: ‘de Kolonel’, ‘de Eerste Leraar’, ‘de Eerste Atleet’, ‘de Boodschapper van de Woestijn’, ‘de Leider van de Revolutie’, ‘de Broederlijke Leider’ en ‘de Enige Valk’.

In Het Nieuws werden altijd brieven voorgelezen waaruit waardering, dankbaarheid en steun voor de universele visie van de Leider bleken. Het was de bedoeling om zo veel mogelijk negatieve verhalen over de rest van de wereld te verspreiden, over ‘alle mensen die in een slavenstaat leven, onder oorlogskapitalisme en in schijndemocratieën’. Heroïsche liedjes brachten ons troost door ons ervan te verzekeren dat het huis in topvorm verkeerde. De Leider was altijd aan de winnende hand en zijn familie was verzekerd van eeuwige voorspoed en geluk. De verzen van getrouwheid werden onze jeugdherinneringen.

Als we 's ochtends op school in de rij stonden, moesten we De groet van de Groene Vlag opzeggen:

'Blauw, geel, rood en zwart geven geen hoop, maar staan voor ondergang en vertwijfeling. Groen is de kleur van de hoop en het leven. Zelfs het paradijs wordt gesymboliseerd door Groen.'

Ik was er niet op mijn plek. Mijn taal werd een ziekte genoemd die de eenheid van het huis verstoorde. Ik werd verplicht om deze woorden op te zeggen: ‘De taal van het huis is de taal van God, van het hiernamaals en van zijn boek.’

Het Groene Boek werd een Groen Huis. In het nationale museum werd de auto van de Leider opgesteld tussen de artefacten van oude beschavingen. Toen ik in de Maand van de Veroveraar eens naar de lucht keek, zag ik groen vuurwerk en een hele rij groene vlaggetjes. De muren van ons huis werden groen geschilderd en voor de ramen hingen grasgroene gordijnen die het uitzicht op de veranderende seizoenen helemaal wegnamen. Onze planten kleurden egaal groen. Welke kleur had de buitenwereld? vroeg ik me af.

In het huis moest iedereen geloven dat we eigenlijk niet van hier kwamen. We waren hierheen gemigreerd uit het oosten, waar de nobelen thuis zijn. Iedereen moest in de mythe geloven dat dit huis geen oorspronkelijke eigenaar had: iedereen was een buitenlander. De enige richting vanwaar mensen (in de geschiedenisboeken) mochten komen, was het oosten.

Ik moest me gedeisd houden, maar zat met een miljoen vragen en wilde gewoon goede antwoorden horen van iemand. Maar het had geen zin om vragen te stellen. Ik was te gast bij de mensen die het woord ‘wij’ van mijn taal ontvreemdden. En omdat ik ‘wij’ niet kon redden, moest ik ‘ik’ veilig proberen te stellen. Alles was giftig en niemand kon aan de haat ontsnappen. Mijn familie dacht dat ik gek was. Alle vragen werden definitief beantwoord, en tegelijkertijd ook helemaal niet. Er ging een leegte schuil in die eenvoudige antwoorden. Het heden werd louter gebruikt om het verleden opnieuw in te voeren.

Om de een of andere reden was de wereld boos op ons. Het huis was aan beide kanten afgegrendeld. Ondertussen kleurden we bananen blauw en sprak de Leider zich in een artikel uit over de vraag of de dood vrouwelijk of mannelijk is. In het huis hing steevast de geur van natte verf. ‘De Zonen van de Revolutie’ waren altijd gebarsten buren en kapotte vloeren aan het verven. Ze dachten dat je met verf alles kon oplossen.

In zijn artikel ‘Lang Leve de Staat der Armzaligen!’ schrijft de Leider:

‘Hoe zoet smaakt de overwinning der armzaligen, en hoe groots is ze! Hoe mooi is hun morgenlicht als het opkomt en schijnt zonder toestemming te vragen... Hoe zoet deze gevaarlijke droom.’

Het was een krachtige luchtspiegeling van waanbeelden.

Als er een jongen werd geboren, kreeg hij pas een naam nadat die door het Volkscongres was goedgekeurd. De naam moest stroken met de taal en identiteit van de Leider. En zo gaf de Leider het bevel om een lijst met verboden namen op te stellen. Wie voor een inheemse naam koos, werd niet geregistreerd. Voor een identiteitskaart moest iedereen zijn identiteit opgeven. Wie geloofde dat het huis meer was dan het huidige behangpapier, werd als buitenstaander afgeschilderd. De mond werd hun gesnoerd. Maar de ongeregistreerden informeerden zich door voorzichtig over koetjes en kalfjes te praten en onopgemerkte boodschappen op te pikken.

Niets lag vast. In de woonkamer stond een oud beeld, maar de Leider besliste dat het weg moest omdat het een ‘buitenlandse identiteit’ voorstelde. Hij liet het marmeren voetstuk staan en schreef daarop: ‘Op deze plaats komt een beeld dat de identiteit van de staat symboliseert.’ Decennia later staat er nog steeds niets.

In het huis was er geen grotere angst dan die voor het bekende. Mensen stierven in het geheim en hun kinderen moesten leven alsof hun ouders er nooit waren geweest. Het was een misdaad op zichzelf om uiting te geven aan hun dood. Een erkenning van verzet.

De Leider besliste om gevangenissen af te breken. De volgende ochtend hadden we zogenaamde reclasseringscentra. Het tijdperk van het socialisme kwam eraan! We droegen dezelfde kleren, hadden hetzelfde speelgoed, aten hetzelfde ontbijt, aanbaden dezelfde god. Identiek zijn was een noodzaak.

Mijn bestaan was een verboden mogelijkheid, en ik moest toekijken hoe buitenstaanders hun geschiedenis, helden en vijanden aan me opdrongen. Het was onvoorstelbaar, en ik wist niet waarom ze dat deden. Ik was vervuld van de leegte van het niet-zijn. Maar ik wachtte, in de overtuiging dat het gras elders niet groener was, en weer vroeg ik me af: waarom zijn sommige verhalen belangrijker dan andere?

De Leider was niet tevreden met één huis. Hij hitste dus zijn getrouwen op om een deel van de tuin van de buren in te palmen. Met duizenden marcheerden ze naar het midden van nergens – een plek waar plattegronden dienden om verloren te lopen. De voorspelling van de Leider kwam niet uit. Zijn zonen leden dorst en dwaalden eenzaam rond. Op een nooit erkende nederlaag volgde stilte.

Op een dag besloten enkele mannen om de touwtjes weer in handen te nemen in hun huis. Helaas konden ze het monster dat ze zelf hadden gecreëerd niet doden, en het was onmogelijk om zich binnen te verstoppen! Sommige van hen werden verpletterd in vuilniswagens. De rest werd vermoord en hun lichamen werden nog twintig jaar in een lijkenhuis bewaard. Ze kregen nooit een begrafenis.

De gevangenen in een van de meest duistere plekken eisten een proces en het recht om de zon en andere mensen te zien. De Leider reageerde door de gevangenis in brand te steken en de overlevenden dood te schieten. Hun lichamen werden in de achtertuin begraven. Jaren later werden ze opgegraven, louter om ze dagenlang te laten branden in een oven.

De kleur groen begon te vervagen. Nu de Groene God op sterven lag, was iedereen een god geworden. Door een nieuwe Revolutie kwamen er weer twee kleuren bij. De Leider belichaamde de eenheid van het huis. Onderdrukking was de lijm die alles bij elkaar hield. En groen was onmiskenbaar een smet geworden.

Mensen werden onderverdeeld in ‘Ratten’ en ‘Algen’. Mensen die zich tegen de Leider verzetten, en andere die in een valse religie bleven geloven. Bijgevolg moest ik ontkomen aan die onvermijdelijke zelfmoord.

Ik dacht dat ik vrij zou zijn wanneer ik vertrok, maar dat was niet zo. Het huis was zoals alles daarbuiten. Er veranderde niets, alleen moet ik het nu allemaal opnieuw meemaken. Mijn huis is een plek waar ik terug naartoe moet om me ervan te verzekeren dat ik nog besta. En mijn plek is een huis dat altijd op instorten staat. Herinneringen willen verteld worden.

Dus wat is nu eigenlijk mijn plek? Misschien is het het moment waarop ik glimlach naar de mensen die zich proberen te herinneren wie ze waren voordat ze een etiket opgeplakt kregen.



Muhanned Bennana, Brussel/Gent, 2020

Uit het Engels vertaald door Daan Pieters

Deze tekst werd geschreven naar aanleiding van het project Literary Europe Live +, gefinancierd door Creative Europe.
Muhanned Bennana
20.05.2020