Aan de jonge lezer die me heeft geschreven

Stéphane Lambert
21.03.2019
Fill 2 Created with Sketch. Auteurstekst
Stéphane Lambert 5 C Anne Bourguignon

Schrijver Stéphane Lambert kreeg van Passa Porta een schrijfopdracht voor het festivalprogramma Conversaties met denkbeeldige lezers. Zondag 31 maart leest hij onderstaande brief voor in het gezelschap van Nicolas Ancion, Delphine Lecompte, Koen Peeters en Lenny Peeters. Het publiek krijgt een tweetalige brochure met alle auteursteksten mee naar huis!

Vertaald uit het Frans door Katelijne De Vuyst, i.s.m. Sandra Verhulst (vertaalworkshop Found in Translation, Passa Porta, februari 2019)


Lieve vriend,

We kennen elkaar niet, maar ik neem de vrijheid je zo aan te spreken. Had ik kunnen weten dat ik zo snel de oudere zou worden bij wie anderen hun hart komen uitstorten? Ik was zelf nog volop mijn weg aan het zoeken, en ineens dwing jij, een achttienjarige, me om me als een waardige veertiger te gedragen. Daar sta je dan, op de drempel van het leven, trillend van ongeduld en angst, in een wereld waarin niet duidelijk is of je nog enige hoop mag koesteren, en je richt je tot mij om gerust te worden gesteld. Zie je dan niet dat ik gewoon een oudere versie ben van de angst die in jou leeft? Ongewild houd je me een spiegel voor van het verleden, en ik kan alleen maar vaststellen dat ik daar niet meer vertoef. De tijd heeft mijn koorts geblust, tenzij mijn geestdrift de kop wordt ingedrukt door het doembeeld van de jaren die me nog wachten. Maar ik wil je niet belasten met de morbide smaak waarvan ons dagelijkse bestaan is doordrenkt. Je bent achttien en je wilt leven: hoe kan ik je ongelijk geven, ik die er zelf voor heb gekozen nooit de handdoek in de ring te gooien?

Je bent achttien en je schrijft me. Ondersteboven, zeg je, bij de gedachte dat ik besta. Jij, die tot nog toe alleen dode schrijvers had gelezen, wordt nu getroffen door de woorden van iemand die nog in leven is, woorden die je lijken uit te nodigen het isolement te doorbreken, waarin je je opgesloten voelde. Ik heb dezelfde schok ervaren toen ik zo oud was als jij en een schrijver las die me wist te raken op een plek waarvan ik dacht dat alleen de stem van de doden er kon doordringen. Maar ik had niet jouw moed om de denkbeeldige Styx over te steken die tussen de literatuur en mezelf vloeide, en ik liet Charon de persoon door wie ik me minder eenzaam had gevoeld meevoeren naar de andere oever. Zou de band die door het lezen tot stand was gebracht niet zijn verbroken als ik met de auteur zelf in contact was gekomen? Wat kan een schrijver die zich bewust is van zijn onmacht eigenlijk doen? Nog meer woorden aan zijn woorden toevoegen? Opnieuw en opnieuw, tot alleen de dunne draad van de taal overblijft? Alweer moet ik jou gelijk geven: jij steekt je nek uit, terwijl ik mijn eigen vaandelvluchten altijd heb goedgepraat.

Ik snap dat het tegenwoordig belangrijker is dan ooit voeling te houden met de realiteit. Nooit eerder in de geschiedenis van de mensheid hebben we het einde van onze soort zo duidelijk zien naderen. Onze hele toekomst moet worden herzien. In ons nietige schrijversleven denken we dat we de wereld in teksten herscheppen. Maar eigenlijk zetten we onszelf alleen maar uit de wind. We kunnen dan wel zingen terwijl het schip zinkt, als de boel echt kapseist is het beter elkaar te omhelzen, toch? Het is vreemd hoe uw stijl, schrijf je, iets anoniems heeft, alsof hij op zichzelf staat. Vroeger zou ik die opmerking als het mooist denkbare compliment hebben opgevat, maar nu het grote niets dichterbij komt, wil ik graag meer zijn dan een abstractie. Zo zie je dat er wel degelijk iemand schuilt achter die onpersoonlijke regels die zo’n diepe indruk op je hebben gemaakt. Iemand bij wie je antwoorden bent komen zoeken, die al in jezelf zitten. Iemand van wie je niet vermoedde dat hij zat te wachten tot je op zijn boeken zou reageren.

Je doet alsof je mijn raad wilt, en je sprokkelt alleen spijtbetuigingen. Je bent achttien en je wilt dichter worden. Van meet af aan had ik je willen zeggen: ‘Vergeet vooral niet te leven’, maar met je brief ben jij het die me daaraan herinnert. Je vraagt hoe ik schrijver ben geworden, hoe ik op een dag wist dat daar mijn weg lag. Misschien moet ik het eerst over de woorden hebben. Over de kracht van de waarheid die ik de woorden toeschreef. Het gesproken woord heeft voor mij altijd de waarde gehad van een authentieke belofte. Het volstond iets te zeggen om werkelijkheid voort te brengen. Ik kon me niet voorstellen dat je die kracht kon gebruiken, zomaar, uit gemakzucht, zonder geloof te hechten aan wat je zei. Woorden waren te heilig om ze te beschadigen of voor andere doeleinden aan te wenden. Nooit zou ik wat dan ook hebben gezegd als ik niet dacht ernaar te kunnen handelen. Hoe had ik kunnen weten dat het er in de samenleving anders aan toegaat? Je kunt je indenken hoeveel uren en jaren ik heb verloren door dat te geloven! Al te vaak heb ik het onmogelijke verwacht, mezelf veroordeeld tot treurige, doodlopende paden. Maar uiteindelijk vormde die naïviteit de basis voor wat ik ben geworden. Schrijven betekende een waan omvormen tot levensstijl.

‘Niemand uit mijn omgeving hoort wat ik zeg. Niemand begrijpt wat ik doe.’ De klachten die je laat horen heb ik, lang voor jij dat deed, uitgesproken tegen een in mijn ogen dove, vijandige omgeving, die onverschillig bleek voor mijn diepere aard – of wat dacht je? Maar van wie hangt je lot eigenlijk af, van jezelf of van de anderen? Van allebei, ben je geneigd te antwoorden. Laat me daarom het weinige met je delen, wat ik erover weet. Op jouw toekomstige pad mag je niets van de anderen verwachten; bepaal voor jezelf een lichtpuntje, begeef je ernaartoe, waak erover dat het nooit uitdooft, zelfs niet in de dichtste mist, in de donkerste nacht, en sta open voor wat je zult krijgen, zie dat niet als een beloning of de inlossing van een schuld, maar als een bewijs dat je vooruitgang boekt. Bereid je erop voor dat je niet met open armen wordt ontvangen, dat je wordt genegeerd door hen die je probeerde te overtuigen, of slecht behandeld door mensen die je niet respecteert. En negeer van jouw kant de deuren die gesloten blijven, de recensies die niet verschijnen, de bekroningen die anderen ten deel vallen – o ja, de anderen, vermijd vooral je met hen te vergelijken, waardeer gewoon degenen van wie je houdt, erkenning is niet jouw zaak – zet je ambitie opzij, vergeet wat je kan afleiden van je wezenlijke zoektocht, concentreer je op je lichtpuntje. Wanneer je op sommige dagen nergens meer in gelooft, dan moet je het toch met die dagen stellen. Het is niet anders. Geleidelijk aan zal je bedrieglijke voorstelling over een leven als schrijver vervagen. Dat is het beste wat je kan overkomen. Bevrijd van parasitaire zorgen zul je je straf makkelijker kunnen aanvaarden. Zelfs je eenzaamheid zul je omarmen. Eindelijk kun je schrijven. Wat niet betekent dat je de gedroomde Himalaya zult bereiken. Er zitten nog onvruchtbare uren, pieken van ontmoediging en nachtelijke slapeloosheid aan te komen. Elke tekst zal je ontdaan, met een gevoel van allesbepalende onmacht achterlaten aan de voet van een nooit beklommen berg.

‘Welk nut heeft het vol te houden in een woestijn waar mijn ondankbare taak nooit tot voldoening zal leiden?’ Nu je weet dat je niet op de gouden roem hoeft te rekenen, kom je in opstand. Welke weg dacht je eigenlijk te zijn ingeslagen? Waar heb je gelezen dat de literatuur een waarborg voor geluk zou zijn? Vraag je gewoon af of ze nog een toekomst heeft, en je kunt je roeping vaarwel zeggen! Lieve vriend, je moet het gewoon doen zonder andere vragen te stellen, je moet het blijven doen en nooit stilstaan, en nog minder bij datgene wat je vroeger al hebt gedaan, anders is het afgelopen met je. Een uitgeefster met een nogal directe aanpak antwoordde, toen ik haar probeerde te overhalen om een van eerste boeken opnieuw uit te brengen: ‘Je bent wat jong, Stéphane, om nu al stil te staan bij wat je hebt geschreven, concentreer je maar liever op datgene wat je nog moet schrijven.’ Een raadgeving die, telkens als ik met een nieuw project worstel, nog altijd nagalmt. Niets mag datgene wat je drijft, de bestaansreden ervan, ooit ter discussie stellen. De onverschilligheid van de wereld niet, noch de absurditeit die haar kenmerkt. En wanneer je toch twijfelt aan de zin van je bestaan, kijk dan naar de lucht. Heeft een komeet die de eindeloze ruimte doorkruist meer redenen dan jij om dat koppig te blijven doen? En toch, tot ze te pletter stort tegen een grotere massa waarin ze uiteindelijk wordt opgenomen, laat ze zich nergens door tegenhouden. En wanneer ze toevallig op een soortgelijk hemellichaam botst, ontstaan uit die clash massa’s fragmenten die allemaal hun eigen baan zullen volgen. De betekenis van je werk schuilt overigens niet in de beweging die je toch niet kunt onderbreken. Dus, lieve vriend, als de hemel je die les heeft gegeven, kun je maar beter mijn raad volgen: trek erop uit, stel je hoop niet op de stad, vermijd de menigte, leer van je verveling te genieten, verdwaal in het onverwachte, neem je tijd zonder te denken aan de tijd die je verliest, laat niemand oordelen over de relevantie van je weg. Waar je nu bent, moet je zijn. Wat je doet heeft alleen waarde vanwege de waarde die jij eraan hecht, alleen jij weet wat telt. En als je ondanks alles meent dat je passen door ijdelheid worden geleid, moet jijzelf alweer bepalen waarvoor je je hart wilt verliezen. Langzamerhand zul je zien dat datgene wat je dacht te willen bereiken onbewust zal zijn samengevallen met datgene wat je bent.

Maar nauwelijks heb je je opstandige gevoelens weten te bedaren, of je woede komt alweer opzetten. Overal hoor je de eenzaamheid van hen die weigeren stil te staan. Je vangt geween op en tandengeknars, de beladen stilte van wie geen woorden meer heeft. Je weigert gemoedsrust te vinden door gewoon je ogen te sluiten voor wie tot pijn werd veroordeeld. Vrede is geen vrede als ze de slachtoffers negeert. Je wilt zonder onderscheid liefhebben, van een zalig medeleven vervuld. Elke dag verlaat je je huis. Je loopt met de anderen op straat. Urenlang loop je daar, luisterend naar de klachten van de verdrukten, je hartslag afstemmend op die van hen, in de steden die opeenstapelingen zijn geworden van lijden en eenzame dood. Daarna keer je naar huis terug, gek van woede en razernij, en, gek van woede en razernij, besluit je me een tweede brief te schrijven die de eerste ongedaan moet maken. Je zegt dat de literatuur niets betekent als ze slechts een schuilplaats is, geen remedie, en dat ik mijn verdomde nonsens over gekwelde scheppers voor mezelf mag houden. Wat zijn mijn boekjes waard, snauw je me boos toe, in een wereld die recht op zijn ondergang afstevent? Weet ik dan niet dat mijn woorden alleen wind zaaien? Alleen maar wind! herhaal je hoe langer hoe kwader. En jij dan! Jij hebt een sterk, menslievend engagement nodig! Ik zie je al rond- en ronddrentelen in je kamer, je ideeën herkauwend, op het punt uit je vel te springen, zonder dat je enig idee hebt hoe je het probleem moet aanpakken – zonder dat je weet hoe je, vanwaar je nu bent, de wereld gaat redden! Ik stel me voor hoe je woede dan omslaat in een reusachtige, alles verlammende wanhoop. Dagen en dagen aan een stuk weiger je je kamer uit te komen. Je wilt niemand meer zien. Je laat de uren voorbijgaan, ineengedoken op je puberbed, niet in staat ook maar iets te doen. Tot, toevallig, je hand op een ochtend aarzelt bij een boek dat is blijven liggen. Het maakt niet uit van welke auteur. Je ziet de woorden staan en begint automatisch te lezen – je moet je troosteloze gemoed, dat zijn troosteloosheid beu is, ergens mee verstrooien. En zonder dat je het bewust wilde, schiet iets in jou opnieuw wakker. Ja, daar waar alleen dat verpletterend zware moeras zat, daar waar in je gepijnigde hart alleen nog walging zat, ontstaat opeens een lichtheid die je meetrekt naar een onwaarschijnlijk ontwaken. Iets wordt herboren op de plek waar je troosteloosheid schuilde, het wekt je uit de verdoving waarin niets meer mogelijk was. Een gevoel dat je niet als klef of schaamteloos bestempelt, laat je dof geworden blik opnieuw stralen, laat opnieuw trillen wat in je was uitgedoofd. Je herinnert je de eenzame harten, je herinnert je je wanhoop, maar je woede heeft haar bitterheid voor oplaaiende vreugde verruild. Aan dat hervonden licht kun je afmeten hoezeer de boeken, die je overbodig vond, je verbinden met de werkelijkheid die je zo graag wilde bereiken, hoe de woorden, die je tot nog toe vruchteloos vond, voedsel geven aan wat je voelt. Dan pas besef je welke strijd aan elk echt werk is voorafgegaan. En neem je het jezelf kwalijk dat je datgene hebt verraden wat je tot op heden voort had gestuwd, en je begrijpt dat de enige weg naar een diepgaande omwenteling loopt via alles wat een innerlijk pad uitdiept. Want niets van de dingen die je naar de literatuur hadden geleid, stond datgene in de weg waarop je band met de anderen was gebaseerd. De buitenwereld is niet tegengesteld aan een innerlijk bestaan: hij vormt de som van alle innerlijke werelden. De kracht van de woorden om samen te brengen wat ons scheidt – wat ons vernietigt: die kracht had jij over het hoofd gezien, de kracht waardoor jij en ik voor altijd vrienden zullen zijn. Broers, die zielsblij zijn hier te zijn, in hetzelfde leven. In dezelfde haveloze wereld.


Stéphane Lambert
21.03.2019