register van bouwbiografische portretten - persis bekkering
In 2025 werd door architecten Bart Decroos en Laura Muyldermans het Register van Bouwbiografische Portrettenin het leven geroepen, met de steun van Archipel vzw, nadine laboratory for contemporary arts en Passa Porta. Het Register gaf aan 17 gebouwen in Vlaanderen en Brussel de kans om hun stem te laten horen, hun verhaal tevertellen. Elk bouwbiografisch portret bevat de biografische gegevens, biografische karakteristieken enbiografische speculatie van het bouwwerk. Voor dat laatste onderdeel schakelde Passa Porta vier schaduwauteursin, die in de huid van elk huis kropen en hun diepste zielenroerselen in literaire pareltjes vervatten. Hieronder kan je de biografische speculaties door Persis Bekkering lezen. Het rode gebouw, Félice, O.666, Kenny en Vandergoten passeren allemaal de revue.
Het rode gebouw te Gent lokt met zijn grote ramen voorbijgangers naar binnen, wat de uitbaters van zijn winkel goed uitkomt. Félice, een energiek huis in Vorst, is te herkennen aan haar roze gevel en zoete geur. O.666 lijktmisschien wel duivels, maar het is een open, strijdvaardig gebouw. Met zijn veelkleurige en geschubde gevel past hij perfect in het decor van Oostende. Kenny in Kessel-Lo is een fier, zorgvuldig en standvastig huis dat altijdopenstaat voor iets nieuws. Het vrijgevige appartementencomplex Vandergoten in Laken, tot slot, biedt met plezieronderdak aan 53 gezinnen.
Portret: Het rode gebouw
Licht, licht. Zoveel mogelijk licht lucht vrijheid. Mijn voorgevel hunkert naar licht,
open, buiten, wind, stad, zozeer dat ik soms wel de straat op wil rennen. Mijn voor-
hoofd schuift al een stukje op naar voren, de lucht in. De lucht streelt mijn voorhoofd.
Het ligt in mijn aard om stil te staan. Onveranderlijk te zijn. Standvastig en rechtop. Bescherming bieden. Tegen tijd, tegen weer, tegen wind. Dat is mijn essentie, mijn taakomschrijving. Ik ben er goed in.
Een paradox? Een tegenstelling? In plaats van de straat op te rennen, lok ik de straat
naar mij toe. Ik ben een uitnodiging, een opening. Het gordijn wordt weggetrokken,
het orkest begint, en daar zien we ze, een wereld in de wereld. Een spel in een spel.
Net als in de wereld staat hier een bedje, een zetel, een koffietafel. Net als in de wereld
laten schoenen hier het stof van de straten achter. Alleen de tijd verstrijkt hier anders.
Dat is mijn geheim.
Binnen en buiten komen hier samen zonder dat de intensiteit van de tegenstelling
wordt opgeheven en verzoend. Juist dat is wat mij energie geeft. Ze gaan niet in elkaar
op, maar houden elkaar in evenwicht.
Het geheim van het theater is dat het een dualiteit huist. Er is een plek is die gezien
mag worden en een plek die aan het zicht onttrokken moet blijven. Wat gezien mag
worden, is geslepen door de blik. Geslepen, glad. Ik mag gezien worden, mijn wereld
in de wereld heet u welkom, proper, solide. Ik ben weerbaar tegen het slijpen van de
blik. Harde materialen huis ik. Steen, metaal, beton. Ik ben glad en geslepen genoeg
om de blik nooit vast te houden, de blik valt van mij af, want het gaat niet om mij.
Ik ben maar het toneel. Ik geef door.
De wereld om de wereld in de wereld is verborgen. Privé. Is waar de personages
mensen zijn, en mensen personages worden, in wording zijn. Hier rust ik uit van de
blik. Hier hoef ik niet te tonen, niet toonbaar te zijn. Het is de antikamer waar niets
te veel is aangebracht, waar elke beslissing is genomen als enkel het hoogstnodige.
De schoonheid van functionaliteit, tegenover de schoonheid van de verleidingskunst.
De antikamer is net zo noodzakelijk als de kamer. Zoals de dag is om gezien te worden
en de nacht om te rusten. Aan de lucht licht wind openheid onttrokken door een
ander gordijn, niet het zware fluweel van de bühne; een licht gordijn. De bühne is een beschermde wereld, eenwereld in de wereld. De antikamer staat in verbinding met de
wereld. Daarom steekt ze uit. Niet stoffig of vergeten, nooit niet, ook hier is aandacht
aan besteed, door de mensen die geen personages zijn ben ik bekleed. Met zorg.
Zij slijpen me niet, ze dekken toe.
Portret: Félice
We zeggen wel eens dat iemand voor het geluk geboren is.
Alsof het leven een loterij is, en je wint of niet.
Ik geloof daar niet in.
Zeker, geluk kun je niet afdwingen. Geluk is een gift, is genade. Maar het is aan
ons om de voorwaarden te scheppen om haar te ontvangen. Wie gewoon maar
afwacht tot het komt, krijgt het niet. Wie gewoon maar geboren wordt, krijgt het niet.
Ziet het niet. Werken zullen we, in het zweet des aanschijns.
Elke dag weer.
Ik geloof in routine. In de herhaling. In de tijd die ongenadig voort tikt, in een voor-
waartse rechte lijn, maar die tegelijkertijd ook genadig rond is. Zoals de klok rond is.
Zoals het elk jaar weer lente wordt en de takken weer uitlopen.
We werken om de bodem vruchtbaar te houden voor de gift van het geluk. We geven
haar aandacht, we voeden haar. We zorgen dat ze niet overwoekert. Wat erop groeit,
snoeien we bij of wieden we om. We spannen ons in om haar niet te vermoeien. Dat
is een voortdurende verantwoordelijkheid; we kunnen nooit achteroverleunen. Maar
het betekent ook dat we niet altijd maar door moeten willen gaan. Soms geven we
de bodem rust. Soms geven we onszelf rust. Rust is net zo belangrijk als inspanning.
En wanneer ze dan komt, het geluk, wanneer de oogst overvloedig is en ons voorziet
in wat we nodig hebben, dan vieren we feest.
In de bodem.
Ik kan het weten. Meer dan een eeuw geleden ben ik gebouwd op vruchtbare
akkergrond. Mijn naam betekent geluk. Ik ben al die tijd blijven staan met mijn
voeten in de leemgrond, en mijn vuurrode ruggengraat omhoog reikend richting
de hemel. Mijn aangezicht heeft de gezonde kleur van wangen in de frisse
lucht. Klein van postuur misschien, maar achter mijn smalle façade schuilt een
efficiënte organisatie. Als een uurwerk. Als een uurwerk draai ik mee met de tijd.
Schep ik voorwaarden, immer pulserend.
Regelmaat.
Herhaling.
Symmetrie én variatie.
Ik zorg voor beschutting en koelte in de brandende zon.
Er is altijd een hoekje waar het aangenaam is, zelfs wanneer ijsbloemen de ramen overwoekeren.
Hier: stilte voor wie rust wil, rumoer voor wie naar de wereld verlangt.
Ik heb kelderruimten waar de muziek op vol volume mag en niemand die er last van heeft.
Ik ben niet bang voor de buitenwereld, maar ik ben ook een universum op zich.
Ik ben niet bang voor verandering, maar ik volsta ook zoals ik ben.
Portret: O.666
Ik heb goede vrienden. Ontzagwekkende, machtige vrienden. Ik bewonder ze en ik
vrees ze. Ze geven en ze nemen. Zolang ze mijn bondgenoten zijn, ga ik door. Keren ze
zich tegen me, dan geef ik me over, in het volle vertrouwen dat ze weten wat ze doen.
Uit respect. Uit noodzaak. Mijn naam mag dan duivels klinken, uiteindelijk ben ik een
nederige constructie aan de kade. Ik weet dat best.
Vriend nummer één: de zee. Zonder de zee besta ik niet. Ik ben gebouwd dankzij haar gaven.
De vis die ze voorziet. De vissers die ze aan haar oppervlak verdraagt, sinds mensenheugenis. Vissers zijn mijnsoort mensen. Vissers met hun gelooide huid, hun stevige handen. Gewend
aan eenzaamheid, genoodzaakt tot samenwerking. Ooit was ik hun clubhuis, hun gastheer.
De zee – net als de vissers heb ik haar in mijn poriën. Uit mijn oksels dampen nog
haar geuren, zout en vis en wier en schuim. Hoewel ik haar op veilige afstand houd, is ze
overal, de zee. In de lucht. In de grond. In de stad, die met haar vergroeid is, de balkons en terrassen met de neuzenhaar kant op. Ze is in de stromen mensen die de trein uit buitelen
en als vanzelf weten welke kant ze op moeten om hun tenen in de branding te kunnen
begraven.
De zee, die altijd verandert. Ze zwelt aan en trekt zich terug, soms buitelt ze over zich-zelf heen, somskabbelt ze vriendelijk. Ontzagwekkend en machtig. Mijn vriend, en soms
mijn vijand. Mijn naam echoot het Beest van de Zee uit het boek Openbaringen, maar de zee weet wel beter. De zee lacht om mij.
Zolang ze om me lacht, vindt ze me leuk.
De tijd is ook mijn vriend en mijn vijand. Vriend nummer twee. De tijd kunnen we niet zien. Bestaat ze überhaupt? Sommigen zeggen van niet. Sommigen zeggen dat de tijd een effect
is van ruimte, of dat ze niet rechtdoor dendert, maar rond is. De tijd, ze glipt weg, niemand
kan haar vastpakken. En toch laat ze sporen achter. Mijn vermoeide lijf getuigt daarvan.
Ik ben gebrandmerkt door de geschiedenis. Ik ben een spoor van de tijd die een grote oorlog achter zich aantrok. En daarna van herstel. Van de opkomst van grootkapitaal. De komst
van nieuwe denkwijzen, nieuwe problemen in de stad die de mensen tot nieuwe ideeën
nopen, tot nieuwe waarden rond circulariteit en samenwerking. Ook daarvoor wil ik de
gastheer zijn.
Soms word ik door de tijd vergeten, soms sleurt ze me in haar bek met zich mee.
Ze doet wat ze wil, ze is ongedurig. Meer dan tachtig jaar sta ik hier, stevig maar kwetsbaar. Laatst kreeg ik eenmetamorfose van gerecycled plastic. Teken der tijd. Vanbinnen kraak
ik. Misschien is ze dan toch geen rechte lijn, de tijd. Misschien beweegt ze meer als de zee,
in rollende golven en eb en vloed.
De tijd lacht ook om mij. Voor haar ben ik maar klein spul. Misschien dat ze me
daarom al zo lang tolereert. Mocht ik haar een boodschap kunnen geven, dan zou dit
het zijn: tijd, ik maak het goed. Ik houd het hier nog wel even uit.
En wanneer ze dan wil langskomen, dan zeg ik: plek genoeg. Voor vrienden altijd.
Portret: Kenny
Soms denk ik aan een beroemde gewetensvraag: heb je liever uitzicht op
een mooi gebouw en woon je zelf in een lelijk pand, of kies je ervoor zelf
in het prachtige gebouw te wonen dat uitzicht biedt op een trieste gevel?
Je moet kiezen.
Een onzinnig dilemma. Niet alles draait om de buitenkant. Wie de tijd
neemt om te denken weet dat er altijd een uitweg is, een derde mogelijkheid.
Ik geloof in vakmanschap, degelijke constructie, en de elegantie die daarin
besloten ligt. Ik geloof in de verrassing van het understatement: wat op het
eerste oog en van veraf sober lijkt, blijkt van dichtbij geraffineerd, hoogstaand,
zelfs weelderig. Het werk van een meester die zich niet meer hoeft te bewijzen.
Ik werd gebouwd in een tijd van vooruitgangsgeloof, van voorspoed. 1958,
het jaar van de Expo 58 in Brussel, even verderop, toen miljoenen mensen
de nieuwste technologische snufjes kwamen bewonderen. Een alliantie van
technologie, commercie en kunst bracht hoogtepunten voort in de bouwkunst,
elektronische muziek of koopwaar. Blinkende, futuristische paviljoenen om
gezien te worden.
Ik ben meer van de zijlijn. Ik observeer, en kom zo tot de juiste beslissing.
Zonder steriel te zijn. Kijk naar mijn tuin, waar in de zomer de druiventrossen
zwaar aan de takken hangen. Het ruikt hier aards en levend.
Mijn buitenkant is eenvoudig, efficiënt. Bakstenen, rechte lijnen, com-
pacte kruisramen. Een sluitsteen verraadt dat ik wel degelijk een oog voor
esthetisch detail heb. Dan, de voordeur: plots een elegant, lokkend silhouet.
Treedt binnen, gast.
Ja, u bent even stil. Hoort u ook de jazzmuziek die uit de trap opstijgt?
Een vluchtige melodielijn van een saxofoon uit een wervelend verleden,
in een constructie die verder helderheid ademt, rust, stabiliteit. De trap is
mijn trots, mijn blikvanger. Een bewijs van mijn beheerste speelsheid.
Ik geniet van uw verraste gezicht. Hier was u zeker niet op voorbereid,
toen u mij om mijn buitenkant inschatte. Streng van buiten, warm van binnen.
Mijn adagium. Verborgen schoonheid. De juiste maat.
Kijk naar buiten. Stadszicht op Leuven, epicentrum van wetenschap en
kunst en industrie op een half uur stappen. Een spirituele stad, met de abdij nog
in gebruik, waar de kleurrijke middeleeuwse manuscripten goed geconserveerd
zijn. Ik toon je het uitzicht als een schilderij aan de wand. Aan de andere
kant glooit de heuvel. Ik geloof niet in dilemma’s, ik geloof in keuzes: je mag
kiezen. Stad of platteland, rust of muziek, rede of gevoel, weelde of soberheid.
Een goed huis is geen alles of niets, een goed huis beweegt mee met haar
bewoners, geeft nieuwe mogelijkheden, denkt in oplossingen en alternatieven.
Meebewegen. Niet vasthouden aan het oude, aan het bekende. Er is altijd
een derde mogelijkheid.
Portret: Vandergoten
Ik geef licht. Wit blink ik de buurt in. Om mij heen de vertrouwde achter-
grond van rommelig stadsbeeld, huizen uit verschillende bouwjaren, met
verschillen in formaat, in kleur. Daartussen rijs ik omhoog, standvastig,
zelfverzekerd en regelmatig. Jong nog, niet onderhavig aan de krassende
vallende tijd. Een lichtbaken zonder hoogdravendheid. Simpel en toegan-
kelijk. Ik bied de vertrouwdheid van de herhaling.
(Al die omschrijvingen en eigenschappen. Ze zijn door anderen op mij
geplakt. Ik ben niet zo veel met mezelf bezig, ik ben wit, een dienstbaar
scherm voor projecties.)
Wit blink ik de buurt in. Maar wie een glimp van mij opvangt vanuit de trein,
ziet het roestigrode baksteen van mijn andere kant. De cirkel van het leven,
transformatie van de ruwe materie van mijn voorganger. Steen voor steen
afgebroken en weer opgebouwd. Het schip van Theseus – ben ik nog altijd
Van der Goten, of ben ik nu een ander genaamd Vandergoten? Zijn wij één
of twee? Voer voor filosofen. Niet aan mij besteed.
Wit blink ik de buurt in. Ook van binnen ben ik een onbeschreven blad.
Niet geheel karakterloos en zonder eigenschappen, maar wel kneedbaar
en flexibel. Ik word wie ze willen dat ik ben. Ik houd er niet van me aan
iemand op te dringen. De roestigrode bakstenen zijn een herinnering aan
mijn afkomst, aan mijn geschiedenis, en daarmee heb ik alles gezegd.
Sommige bewoners hebben echt een visie, die maken er wat van. Spullen
met een geschiedenis of met een auteursnaam. Anderen onderscheiden zich
minder, die willen een ruimte die, net als ik, niet te veel aandacht vraagt.
Die willen dat het klopt en werkt en gaat, dat ik niet in de weg loop, dat ik
de frictieloze gastheer ben van de chaos van de ochtendrituelen, en dat is
mijn specialiteit.
Licht geef ik. Ik houd van licht. Ik vang licht op mijn dak en geef er energie
voor terug, zoals bladgroenkorrels. De lente is mijn seizoen. Niet warm,
niet koud, nieuw leven en de belofte van de zomer die eraan komt en straks
willen ze altijd buiten zijn, de plantsoenen in, elkaar ontmoeten in het gras
of op de terrassen en al die tijd wacht ik gewillig en geduldig tot ze terug-
komen, tot ze zich in mijn goed geïsoleerde omhelzing terugtrekken wanneer
de bladeren beginnen te vallen. Dan ben ik er nog, schoon, strak en betrouw-
baar. Ik ben niet de geliefde die voortdurend bevestigd hoeft te worden.
Laat mij maar, laat mij maar staan, wit, licht. Ik ga nergens naartoe.
foto's © : rita maria habib & jan muyldermans