Waargebeurd, ja maar hoe? Over literaire non-fictie

Matthijs de Ridder
17.10.2018
Fill 2 Created with Sketch. Texte d’auteur
Ehud Neuhaus 632228 Unsplash

Voor schrijver en criticus Matthijs de Ridder (Rebelse ritmes, De eeuw van Chaplin) is schrijven altijd verhalen maken, ook al gaat het soms om harde feiten. Passa Porta vroeg hem als kenner om in november twee avonden te wijden aan vernieuwende literaire non-fictie. Hieronder vertelt hij waarom hij onze uitnodiging aanvaardde, welke auteurs hij erbij vroeg, en wat de insteek wordt voor hun discussies en voordrachten.

Wat hebben non-profits, niet-gouvernementele organisaties en de non-fictie met elkaar gemeen? Juist, ze stellen zich allemaal voor door te zeggen wat ze niet zijn.

Goedemiddag, ik ben een bedrijf, maar ik maak geen winst.

Hallo, ik zorg voor voedsel, huisvesting en medische bijstand, maar ik ben geen overheid.

En aangenaam, ik ben een verhaal, maar ik ben geen fictie.

De niet-naam, het blijft een merkwaardig fenomeen, al is de noodzaak voor deze averechtse benadering in de eerste twee gevallen gemakkelijk te achterhalen. Non-profits hebben er alle belang bij te verklaren dat ze hun activiteiten niet ontplooien om winst te maken ten einde hun ideële karakter te benadrukken. Niet-gouvernementele organisaties opereren vaak in oorlogsgebieden. Om mensen in dat soort situaties adequaat te kunnen helpen, is het van belang om meteen duidelijk te maken dat ze geen politieke speler zijn.

En de non-fictie? Opmerkelijk genoeg ligt het daar een beetje anders. Waar non-profits en niet-gouvernementele organisaties afstand willen scheppen tot de instanties op wie ze het meeste lijken, haalt de verhalende non-fictie juist de banden aan met het genre waar ze zich in eerste instantie van lijkt af te zetten. Zeker de jongste jaren heeft de non-fictie zich namelijk juist onderscheiden van de geschiedkundige studie, het literaire essay en de wetenschappelijke verhandeling door vertelstrategieën toe te passen uit de fictie. Of er nu een nieuwsgierige schrijver aan het woord is die zich al interviewend een weg baant door een voorheen onontwarbare historie, of een alwetende verteller die een geschiedenis op de hielen zit, de inzet van moderne non-fictie is het verhaal. Aan de hand van een personage (al dan niet de schrijver zelf) wordt er een mysterie ontrafeld, een geschiedenis verteld, of een probleem ontleed. Sommige non-fictie-boeken ontlenen hun structuur aan een avonturenroman, andere aan een detective en nog weer andere aan het reisverhaal. Het zijn met andere woorden geen droge verslagen van een onderzoek, maar meeslepende vertellingen – met een grote troef: ze zijn waargebeurd.

Ik ben eindeloos gefascineerd door de geschiedenis die ons heeft gevormd, maar ben er evenzeer van overtuigd dat die geschiedenis niet zelf kan spreken. Het verhaal moet tot leven gewekt worden.
Matthijs de Ridder

Dat laatste woord – waargebeurd – staat centraal op de twee avonden die ik op 6 en 13 november in Passa Porta maak. Het woord houdt me in mijn eigen schrijverij namelijk al jaren bezig. Ik ben eindeloos gefascineerd door de geschiedenis die ons heeft gevormd, maar ben er evenzeer van overtuigd dat die geschiedenis niet zelf kan spreken. Het verhaal moet tot leven gewekt worden. De vraag rijst dan natuurlijk of de nagestreefde waarachtigheid niet op gespannen voet staat met de gehanteerde verteltechnieken. In tal van disciplines worden compositorisch vernuft en stilistische flair namelijk juist als vijanden van het feit gezien. Ooit een met schwung geschreven wet gelezen? Of een humoristisch onderzoeksverslag? In deze genres wordt de persoonlijke inbreng van de scribent angstvallig buiten de tekst gehouden zodat de ‘waarheid’ alle ruimte krijgt. Niet zo in de verhalende non-fictie. Hier staat de auteur vaak pontificaal in beeld en worden de waargebeurde verhalen gefilterd door de ervaringen, de visies en de meningen van de schrijver.

In Waargebeurd ga ik met vier schrijvers in Passa Porta op zoek naar de oorsprong en de totstandkoming van het waarachtige verhaal. Met Frank Westerman (Wij, de mens) en Chris de Stoop (Wanneer het water breekt) buig ik me op dinsdag 6 november over de vraag hoe zij in hun belangwekkende en aangrijpende verhalen omgaan met de broze integriteit van het feit. Is iedere vertelling niet immers minstens deels gelogen?

Met Joris van Casteren (Moeders lichaam) en Sarah De Mul (Retour San-Sebastian) tast ik één week later, op dinsdag 13 november de grenzen van de non-fictie af. Waar ligt de grens eigenlijk tussen de fictie en de non-fictie? Waarom besluiten schrijvers de ene keer de feiten te volgen en er de volgende keer een flinke dosis fantasie aan toe te voegen?

Matthijs de Ridder
17.10.2018