wanneer ministers huilen

Anissa Boujdaini
13.11.2019
Fill 2 Created with Sketch. Texte d’auteur
Climate 4

Essay geschreven in opdracht van internationaal literatuurhuis Passa Porta voor Ecopolis ‘Generation Hope’, op 10 november 2019 in het Kaaitheater.

Ik moet dit stuk heel eerlijk beginnen. De klimaatstrijd zoals die in België vorm en aandacht kreeg, heb ik vooral vanop grote afstand gevolgd. Al was ik het volledig eens met de eisen en aanklachten die geformuleerd werden, toch voelde ik enige argwaan over hoe de beweging op initiatief van klimaatspijbelaars leek te starten, groeide en ontwikkelde. Eerst en vooral stelde ik mezelf in vraag, want ik kon niet meteen verklaren waar die argwaan precies vandaan kwam. Misschien maakte ik er te veel van, dacht ik. Misschien was ik weer te ‘negatief en pessimistisch’, iets wat veel kritische en mondige generatiegenoten vaak genoeg verweten wordt. Die zelfreflectie confronteerde mij eerst met mijn gebrek aan appreciatie voor een jongere generatie die heel goed wist wat ze wilde zeggen en waarvoor ze streed. Toch zou die confrontatie me niet helemaal van mijn argwaan bevrijden, dus daar lag het niet volledig aan.

Beetje bij beetje zou ik ontdekken waar dat gevoel precies vandaan kwam, en verder: dat dat gevoel gegrond was. Ik zou bevestigd zien dat er voor iemand als ik, een vrouw van kleur, weinig plaats is binnen de klimaatinitiatieven die in de straten en in de media het hardst gesteund worden. De enige afstand die ik samen met klimaatbetogers heb afgelegd en de enige nabijheid die ik tot hen heb gehad, bleven daarom beperkt tot een aantal treinritten van Antwerpen naar Brussel. Wij namen zoals steeds afscheid aan Brussel-Noord, waar ik eerst met een schuldgevoel om mijn gebrek aan zichtbare steun, maar al snel zonder, op mijn volgende trein sprong.

Klimaat en kleur: een ongemakkelijk gesprek

De eerste keer dat ik een deel van mijn sluimerende argwaan bevestigd zag, was toen ik de volgende, inmiddels aangepaste kop te lezen kreeg: ‘Vooral blanke [sic] jongeren nemen deel aan onze betogingen. Dat vind ik erg jammer.’ Aan het woord was een van de jonge hoofdfiguren van de klimaatbetogers. Los van alle goede bedoelingen (die weinig relevant zijn als het over structurele problemen gaat) en los van latere double downs, werd dit jammerlijke statement gemaakt en samen met de perceptie dat mensen van kleur weinig om het klimaat geven, de wereld ingestuurd. Het kwaad was geschied. Ik realiseerde me toen dat het juist dat was wat ik in de klimaatgesprekken miste: een analyse die klimaat ook aan kleur weet en durft te koppelen. Hierop had ik – zonder het meteen te kunnen duiden – gewacht. Alleen had ik in mijn naïviteit niet verwacht dat kleur aan het gesprek zou worden toegevoegd om mensen met een migratieachtergrond en passant voor de (elektrische of hybride) bus te gooien.

In de dagen daarop werd als reactie op de uitspraak een aantal opiniestukken over ‘allochtonen en klimaat’ gedeeld. Maar het waren geen op zichzelf staande stukken die het verband tussen klimaat en kleur belichtten. In plaats daarvan werd eerder een verdedigende houding aangenomen en heerste vooral het verlangen om het tegendeel te bewijzen, of zichzelf te verklaren en te verantwoorden. Eindeloos te verantwoorden.

Een van de sterkere analyses slaagde er wél in om op zichzelf te staan, niet per se voortvloeiend uit een uitspraak die een gemarginaliseerde groep viseert. Zo pende Jade De Belser Munyaneza, masterstudente African Studies aan de Universiteit Gent, haar ideeën over de klimaatproblematiek en de relatie met het Globale Zuiden neer in De Standaard:

‘De gevolgen van de klimaatopwarming zijn ongelijk verdeeld,’ schreef ze. ‘Op veel plaatsen buiten Europa heeft het klimaat het dagelijkse leven al ontwricht of onmogelijk gemaakt, wat tot conflicten leidt. Miljoenen mensen zijn op de vlucht. (…) Ook in Europa vinden we deze ongelijkheid steeds duidelijker terug. Mensen met een migratieachtergrond, veelal afkomstig uit die delen van de wereld die ontwricht werden door kolonisatie en kapitalisme, blijven ook hier vastzitten in structurele achterstelling en armoede. Het zijn de kinderen van die mensen die er de afgelopen donderdagen niet bij waren om “hun generatie” te vertegenwoordigen in Brussel, “omdat hun eigen leven al moeilijk genoeg is.” (…) Als de geëngageerde klimaatspijbelaars van hun beweging echt een breed initiatief willen maken en bondgenootschappen willen sluiten over de grenzen van de witte middenklasse heen, moeten ze de verbanden leggen en de structurele oorzaken van beide problematieken – klimaatverandering en toenemende wereldwijde ongelijkheid – aanklagen. De strijd voor het klimaat moet uit haar apolitieke comfortzone treden en weer een sociale strijd worden.’

Gisteren stuurde ik met lichte schaamte een sms naar een vriend om te weten wie die schrijfster van die genuanceerde tekst over de klimaatproblematiek in een globale context ook alweer was. Ik wilde naar haar verwijzen, maar ik herinnerde mij alleen nog haar ideeën en was haar naam al lang vergeten. In tegenstelling tot andere namen wordt de hare minder vaak herhaald, minder vaak uitgenodigd op platforms en minder hard in onze hoofden gestampt. Toch bevat haar uiteenzetting noodzakelijke visies zonder welke de klimaatstrijd maar weinig zin heeft. Hetzelfde kan worden gezegd van jonge klimaatactivisten zoals Autumn Peltier, Mari Copeny en Xiye Bastida, van wie ik de meesten alleen maar ken omdat ze na verloop van tijd in één adem werden genoemd met Greta Thunberg.

Zoals dat gaat in de media, zijn er voortdurend nieuwe prikkelende insteken nodig. Een van die insteken bestond er onlangs in om de lezers te wijzen op hun gebrek aan aandacht voor jonge activisten van kleur die, net als Greta, ook op een bijzonder jonge leeftijd (een paar van hen al op hun acht jaar) met klimaatactivisme waren begonnen. ‘Waarom hebben zij niet minstens evenveel aandacht gekregen?’ klonk het. Het zou een vraag worden waar Greta onrechtstreeks zelf op antwoordt en naar verwijst, door te vermelden dat er meer jongeren zijn zoals zij, door de aandacht te vestigen op de oorspronkelijke inwoners van landen en regio’s die het hardst door de klimaatverandering getroffen worden, en door connecties te zoeken buiten haar witte wereld om. Het perverse is dat dit alles nog steeds gebeurde vertrekkende vanuit haar als persoon. Ik kan niet zeggen dat ik Autumn of Xiye kende los van Greta. Ook de journalisten die vonden dat wij, de lezers, die andere activisten moesten leren kennen en Greta niet zo centraal mochten stellen, slaagden er zelf niet in om dat te doen, en bleven zelf een wit persoon centraal stellen. Autumn Peltier kreeg niet haar eigen verhaal, maar kon enkel haar verhaal doen in relatie tot Greta Thunberg. Zo lees ik titels als ‘Greta Thunberg isn’t the only young climate activist you need to know’ of ‘Greta Thunberg isn't the only trailblazing young climate leader. Activists from the Amazon to Nigeria share their ideas for battling the climate crisis.’

’ Wij bestaan niet omdat wij bestaan, maar omdat wij in relatie staan tot witheid.

Pas met het statement dat vooral witte jongeren meedoen aan de klimaatbetogingen, en hoe jammer dat wel niet is, werd binnen die context aan jongeren van kleur gedacht. Pas met het zoeken naar andere Greta’s werd meer licht geworpen op activisten van kleur.

Misbruik van dialoog vraagt om moedige acties

Een tweede teleurstelling ervoer ik toen de organisatie Act For Climate Justice een succesvolle burgeractie op poten zette waarmee naar een viertal ministers duizenden smsjes werden verzonden. Eén minister in het bijzonder had het daar extra moeilijk mee. De naam van Arno Kempynck dook al snel op als een van de initiatiefnemers, en ik zag hoe hij van alle kanten werd gevraagd om uit te leggen waarom we nu eigenlijk een incompetente Vlaamse minister van Leefmilieu hadden die duidelijk niet geschikt was voor de job. Al zat die vraag in feite nogal verstopt achter allerlei pogingen om van hem en Act for Climate Justice de grote misdadigers te maken. Niet de actie op zich was teleurstellend, integendeel, maar het gebrek aan steun vanwege het breder gedragen Youth for Climate was dat wel. Niet alleen was er een gebrek aan steun, er ontstond zelfs een noodzaak om zich expliciet te distantiëren van de actie, en dat terwijl het een van de weinige, misschien wel de enige actie was die het debat eindelijk wegtrok van de inmiddels nergens naartoe leidende dialoogtafel. Act for Climate Justice ging over tot concrete acties, die burgers zodanig wisten te mobiliseren dat hun daden politieke gevolgen kregen. Acties waarbij de initiatiefnemers ook zelf iets op het spel durfden te zetten en zo net de urgentie van de klimaatstrijd voelbaar maakten.

Dialoog zonder actie is waardeloos en vice versa.

Dialoog is geen middel dat je eindeloos kunt blijven inzetten tot je hopelijk ooit eens tot een oplossing komt. Mensen die zich in precaire posities bevinden hebben de tijd niet om te wachten tot het gebabbel voorbij is. Al helemaal wanneer de gesprekspartner die in een machtigere positie zit, je heel vaak niet uit eigen initiatief tegemoet zal willen komen en dialoog juist als middel gebruikt om je het zwijgen op te leggen. Dan moet je bereid zijn om tot actie over te gaan. De passiviteit die de discussies in België doorgaans kenmerkt, zuigt misschien wel de meeste hoop weg. We moeten blijven bij symboliek en bij woorden en mogen zeker niet overgaan tot acties die risico’s inhouden, die politieke leiders ter verantwoording verplichten en die weigeren om genoegen te nemen met gesprekken die misschien lichtjes kritisch, maar toch vooral voor iedereen aan tafel veilig blijven aanvoelen. En dat keurslijf wordt ons niet enkel opgelegd door politieke vertegenwoordigers, nee, als brave burgers en overheidspoppetjes houden we ook elkaar in het oog en duwen we elkaar weg om een grotere massa te plezieren en nog steeds aan onze kant te houden. Daarom is het nodig te zeggen hoe hard we Arno & Co afkeuren.

Truth to Power en de luxe van apolitieke houdingen

Ook wanneer ik lees dat onze bekendste klimaatleiders de klimaatverandering een ‘universeel’ probleem vinden en geen politiek links/rechts-probleem, wordt het grotere plaatje me steeds duidelijker. Het politieke karakter van de klimaatproblematiek wordt zoveel mogelijk tot een minimum beperkt. Dat bewees ook een andere prominente figuur binnen de klimaatspijbelaars toen zij bij haar breuk met Youth for Climate strategisch naar een rechtser publiek knipoogde, omdat daar nog meer hartjes voor het klimaat te winnen vielen. Er is werkelijk niets dat de politiek in de brede zin overstijgt. Apolitieke statements zijn zelf ook inherent politiek. Tendentieus creëren apolitiekers het idee dat zij los kunnen staan van politieke dynamieken, dat zij zich daar niet mee bezig hoeven te houden en dat zij daar, zwevend over het midden, boven staan. Zo krijgen we een ruimte waarin het belangrijk wordt om racistische Vlaamse collaboratievlaggen te verdedigen wanneer klimaatactivisten door de dragers ervan lastiggevallen worden. Die vlaggen wegnemen? ‘Dan maak je er weer een politiek getint drama van.’ Alsof die vlaggen niet per definitie politiek getint zijn, in het bijzonder voor net die mensen die in nagenoeg alle gesprekken over het klimaat vergeten worden. Zo’n uitspraak kúnnen maken alleen al bewijst dat men vertrekt vanuit een bevoorrechte positie. Remember het stuk van Jade De Belser Munyaneza:

‘De strijd voor het klimaat moet uit haar apolitieke comfortzone treden en weer een sociale strijd worden.’

Zonder diepere politieke analyses sta je nergens, al helemaal niet als je het over het ‘universele’ karakter van de strijd wilt hebben. Dan kom je jezelf tegen achter jouw smartphone terwijl je tweets zit te liken van Obama die jonge klimaatactivisten steunt met een leuk fotomomentje en bemoedigende woorden over ‘our planet’s greates advocates’. Een jaar eerder sprak diezelfde man nog trots, randje cocky, over hoe de Verenigde Staten dankzij hem de grootste olieproducent waren geworden. Of je betrapt jezelf erop dat je kijkt naar een luchtige talkshow met Hillary Clinton, die vol lof over Greta Thunberg durft te spreken: ‘I was fascinated by this, you know, schoolgirl starting this strike for climate change awareness, and I thought, wow, that’s pretty gutsy. And the fact that the first day nobody joined her and it was a pretty lonely enterprise. And then to see her speak truth to power in the United Nations, to leaders who should know better, do know better and refuse to take action, I love that.’ Dezelfde Hillary Clinton die door de vermoorde Hondurese mensenrechten- en milieuactiviste Berta Cáceres verantwoordelijk werd gehouden voor de legitimering van de staatsgreep in Honduras in 2009. Een naam waar Clinton met geen woord over rept. Laat ons vooral truth to power spreken.

Is het verder ook te verantwoorden dat we het zo weinig hebben over militaire systemen en hun aandeel in de klimaatproblematiek? Zoals schrijver Devyn Springer treffend stelt:

Wat is Belgiës aandeel ook alweer in het leveren van wapens aan landen buiten Europa? Maar laat het ons alstublieft niet over links en rechtse politiek hebben, laten we heilig apolitiek blijven.

Generation Hope.less

Misschien vraagt u zich ondertussen af waar de hoop blijft in de ‘Generation Hope’ die ik zou moeten belichamen. Ik vrees dat die er niet is. Of toch niet in de plekken waar u ze verwacht of wenst te zien. Ik vind geen hoop in een volgende generatie die de verschillende onderdrukkingsapparaten die samenhangen met o.a. klimaat, klasse, kapitalisme en racisme nog steeds uit elkaar blijft trekken en haar eigen machtspositie niet in vraag wenst te stellen.

Ik zie hoop in routes die door de meesten gezien worden als plaatsen waar we niet mogen komen: die van huilende ministers en van de weigering om met rechts mee te lopen. Ik zie hoop in de gezichten van mensen in lange rijen in de Primark met ‘niet-duurzame!’ kleren in hun armen omdat dat nu eenmaal is wat zij zich kunnen veroorloven, zich niet bewust van het Primark-misprijzen, gefocust op de zorg voor hun kinderen, in hún hoop op beter. Ik zie hoop op plaatsen waar gestreden wordt zonder veel uitzicht op een goede uitkomst, maar altijd met die onmogelijk los te laten volharding.

Want elke strijd tegen onderdrukking bevat hoop. De kracht vinden om ondanks de tegenwerking te blijven strijden en te durven afwijken van wat sociaal aanvaardbaar is, houdt per definitie hoop in. Strijden kán niet zonder hoop, hoe klein ook, want zolang je bezig bent en doorploetert, heb je niets en niemand opgegeven.

Anissa Boujdaini, 2019
Anissa Boujdaini
13.11.2019