Register van Bouwbiografische Portretten
In 2025 werd door architecten Bart Decroos en Laura Muyldermans het Register van Bouwbiografische Portretten in het leven geroepen. Het Register gaf aan 17 gebouwen in Vlaanderen en Brussel de kans om hun stem te laten horen, hun verhaal te vertellen. Elk bouwbiografisch portret bevat de biografische gegevens, biografische karakteristieken en biografische speculatie van het bouwwerk. Voor dat laatste onderdeel schakelde Passa Porta vier schaduwauteurs in, die in de huid van elk huis kropen en hun diepste zielenroerselen in literaire pareltjes vervatten. Hier kan je de speculaties over het leven van de gebouwen Broustin en Galmaarden lezen, geschreven door Tijl Nuyts.
Als we de eigenaars mogen geloven is Broustin, een rijhuis in Ganshoren, ijdel maar ontvankelijk. Galmaarden is een ontwijde kerk in het rustige Pajottegem, die momenteel wordt omgebouwd naar een polyvalente ontmoetingsruimte.
Portret: Broustin
Ik woon op de verkeersas, mijn schouders
in het groen, spechten en kwikstaarten
in mijn oren. Ik tel de bandensporen
op het asfalt en herinner me de schreeuw,
de motorkap, het kuiken dat uit het nest
tuimelde en voorgoed verdween.
Als je goed luistert hoor je van een afstand
de vredige ademhaling van de betonblokken.
Ze liggen in groepjes te slapen
aan beide uiteinden van de laan.
Duid aan: bent u voor of tegen
definitieve afsluiting en heraanleg
of hebt u geen mening?
Terwijl de hitte van het tarmac slaat
lonk ik over de ruggen van de huizen
en de kruinen van de kastanjes
naar de basiliek. Gehurkte god
met een kroon van geroofd koper.
Ik ga op de tippen van mijn tenen staan.
Ik kan hem niet zien, maar wel roepen:
mijn grote gebochelde broer
op zijn heuvel van beton.
Hij kijkt verveeld naar de dans
van de auto’s op de rotonde:
een slang die zich teder
in de eigen staart bijt.
Iemand vertraagt, parkeert,
stapt uit, slaat de hoek om
en komt over het gazon
naar me toe gelopen.
Wat maakt mij tot een huis?
Open de voordeur
en kom in me wonen. Adem
en eet in mijn kamers, struikel
over het tapijt, verlies je sleutels
en vergeet je donkerrode paspoort
naast de fruitmand. Stouw me vol
met strooilicht, uitgetrapte sportschoenen
en halfopen deuren. Ik wil onopgemaakte
bedden en uitpuilende wasmanden,
een gehaaste vrouw die nog iets zoekt in een handtas.
Ik wil een badjas over een stoel,
een hangplant die moet drinken,
ik wil zachte stukjes zeep en schelpen, vocht
dat in voegen dringt. Geef me zoveel mogelijk
verfomfaaide handdoeken en pedaalemmers,
gespikkelde bananenschillen, kattenbelletjes
op de keukentafel en herinneringen
aan oma’s bloempotten op de vensterbank.
Bewoon me. Bewaar me. Breek mijn buik
vol tussenruimtes niet open,
behoud de donkere passages
waarin bewoners ooit bewogen,
schimmen die vervaagden
en de nieuwe lichamen
die me bezoeken, me opmeten,
mijn wanden bevoelen en mijn ramen
openen, de bries binnenlaten.
Portret: Galmaarden
Ook wanneer het dorp slaapt, het plein donker wordt
en slechts een enkele auto helverlicht de hoek
omslaat, hoor ik het gefluister nog. Dag na dag
dringt het door het asfalt en de straatstenen
en sijpelt langzaam in het leemplateau
waarop ik al eeuwen woon.
Luister!
Ze vergaderen en consulteren, stemmen af
en concluderen, vinden subsidies, bestellen studies,
hakken knopen door en zetten alles keurig op mail.
En ik?
Ik sta ondertussen stil op het plein, mijn haren
in de hemel, een parking aan mijn voeten.
Zie me staan, in mijn wapperende jurk van blauw plastic.
Wie vraagt me wat ík wil? Alsjeblief. Draag me. Schraag me.
Want iets schrijnt nog onder mijn tongewelf, een vergeten
sintel, een vonk die ik te allen prijze wil bewaren.
Er stommelen gehelmde mensen in mijn buik.
Waar zijn de schaduwen van weleer
met hun bedachtzame stappen en kazuifels?
De heldere bel, de moegetergde man aan het kruis.
Mijn keel schor van de wierook en het zingen,
mijn oude torenspits
een eenzame vinger boven het landschap
waar ik ooit de weg wees.
Kom dichterbij en leer me kennen
– of toch wat van me overblijft.
Ik ben een open geraamte, dakloos in de regen.
Herinner je je de kermis nog, het licht, de kus
van de vuurpijl, de brandslangen en het bidden?
Mijn altaar en biechtstoel, mijn orgel en ogen
van glas-in-lood: alles spoelde weg met het schuim.
Door de gaten kijk je me aan,
een geblakerde gevel als gezicht.
Betreed me.
Binnenkort groeit in mij een nieuwe binnenkant,
kwetsbaar rozerood. Op de tekeningen lopen de silhouetten
al door mijn kamers, op de treden tasten ze de randen
van mijn ribben af, mijn hals, mijn rug, vingerkootje
voor vingerkootje. Ik zal geuren naar boeken
en groente, naar vast tapijt en vis – levende vers!
zullen de marktkramers hartstochtelijk roepen
en misschien kom ook jij op een dag lezen
in mijn koor of kies je tussen mijn zuilen
een komkommer uit.
Het zou zoveel gemakkelijker zijn
me met de grond gelijk te maken, hoorde ik,
goedkoper ook, maar ze wilden mijn geschroeide huid
bewaren, een herinnering aan die dag in mei.
Dus blijf ik onverstoorbaar staan,
hier, op het plein, en wacht
tot het strelen begint.
met de steun van Archipel vzw, nadine laboratory for contemporary arts en Passa Porta.