zomerdagboek (3) Eigenzinnigheid als wat de claustrofoob overkomt

Giuseppe Minervini
26.08.2020
Fill 2 Created with Sketch. Texte d’auteur
Giuseppe3 Foto Baptiste Navarro

2 augustus

Soms voelt lelijkheid aan als datgene wat aan de geschiedenis ontsnapt, of ontsnappen wil. Er heerst een verlangen van mijn bestaan het beste bestaan uit alle mogelijkheden te boetseren: het verlangen van een naïef zoetemondje; dat wat lelijk en walgelijk is als datgene wat ontsnapt aan mijn controle; en dan de schaamte, niet omdat wat lelijk is lelijk is, maar omdat ik het lelijke losliet, toeliet.

En dan is er dat schrijven.

Waar ik angstvallig aan de lelijkheid ontsnappen wil, voelt iedere zin zorgvuldig afgevijld. De grot werd gegraven na een gedetailleerde studie van de grond. Alles staat in dienst van de spanning en als een trein op rails vloeit A machinaal uit B op weg naar een verrassende conclusie waar (1) alles met zichzelf samenvalt, (2) de meestal maatschappelijke noodzaak van de tekst zich ontvouwt en (3) de sociale verandering die zich vanuit de aanklacht van de verteller opdringt, eigenlijk alleen maar verder wordt uitgesteld: er is nu eenmaal een genot verbonden aan het vertellen over vanzelfsprekende schandes.

Teksten als hierboven beschreven lijken me opgebouwd volgens iets wat aan gene zijde van de logica ons denken beheerst en alles vanzelfsprekend in zijn eenzelvigheid sorteert. Een vraagstelling die mogelijk de finaliteit van de tekst verstoort, wordt geschrapt, net als iedere spontane, creatieve uiting die getuigt van losbandigheid tijdens het schrijven. Dit alles om de overtuigende schijn te creëren dat de werkelijkheid helemaal is zoals de auteur van de tekst die voorstelt.

Ook ik schrijf dit soort teksten. Ik heb er een zeer moeilijke verhouding mee (in die mate dat ik overweeg mijn ontslag als recensent in te dienen), en niet in de eerste plaats omdat ik de sisyphusarbeid van het structureren ontzie.

Naar Sloterdijks bespreking van het zoete in zijn boek Sferen — het zoete als de ervaring waarbij we toeschouwer worden van onze eigen euforische slok, het zoete als datgene wat ons onze autonomie ontneemt om ons genot waar te nemen — ben ik de bron van dit soort literatuur gaan terugleiden tot een productieketen waarvan het de bedoeling is dat die mij verleidt, mij als lezer tot consument reduceert. Wanneer die paranoia te vaak bevestigd wordt (lees: wanneer ikzelf mijn paranoia al te vaak bevestig), zie ik geen enkele andere mogelijkheid om mijn menselijkheid te affirmeren dan me even blind als koppig tegen dergelijke zoete verleiding te verzetten. Ik maak het belachelijk narcistische excuus dergelijke teksten te produceren enkel en alleen maar omdat ik in een rigoureuze paniek schiet vanwege een gebrek aan kudde om me heen; ‘dit soort teksten, dit ben ik niet, en degene die dit soort teksten schrijft, heeft geen eigen stem’, louter om de complexiteit van de zaak te reduceren tot iets wat ik als medicijn tegen de paniek slikken kan.

3 augustus

Bij het schrijven aan dit derde dagboekfragment merk ik hoe ik alle humor die ik in me had in de vorige twee dagboeken heb gemengd.

4 augustus

Indien ik het soepblikschrijven wil doorbreken, zo kom ik meer en meer tot het misschien kinderlijke besluit, dan hoor ik de lelijkheid te vieren, dan hoor ik schaamteloos schaamteloze teksten te schrijven in een geest die rebels zijn billen spreidt en euforisch in me hoort op te springen. Maar moet ik in de magie gaan geloven dat de kwaliteit van mijn teksten nauw samengaat met de emotionele intensiteit van hun geboorte?

Er moet een evenwicht bestaan tussen het losbandige schrijven en het zorgvuldige structureren van een roman. Dat evenwicht moet de essentie van het controleverlies omvatten; het opspringen van de beestjes toelaten. Er ligt een paradox in de eigenzinnigheid, die ik op 2 augustus al aanraakte, en die ik vandaag, denk ik, helderder kan formuleren: eigenzinnigheid is wat mij overkomt.

Ik zoek een manier om, in een verhaal, de noodlottigheid van de subjectiviteit van een verteller, wiens subjectiviteit volledig samenvalt met de waarheid van zijn universum, zo intens mogelijk in beeld te brengen, zoals een vloeistof een glas vult zonder ademruimte achter te laten.

Door het stoppen met roken ben ik op dieet. Het is warm. Ik kies een appel uit de mand en ga die wandelend in de tuin opeten. Ik ben gulzig, bijt hard in de appel; er valt een stukje appel in het zonlicht; een beeld, mieren op een sappig stuk appel in de zon, doet me denken aan de mieren op Dalí's horloge; ondertussen verbranden mijn schouders, ik speel wat met mijn schaduw, ineens valt me iets te binnen wat weinig verwantschap vertoont met de reeks gebeurtenissen of de mentale projecties veroorzaakt door dit eten van de appel in de tuin; ‘Zonnekloppen met Xanax’, die titel, en de zweterigheid van dat beeld, die plakkerige uitdrukking, kwijl aan de mond van de zonneklopper wiens oksels blinken als horlogeglazen, waar komen de schilderachtige details vandaan die ik in de uitdrukking ‘Zonnekloppen met Xanax’ lees?

Ik ben vaak onverklaarbaar moe. De hitte misschien. Tijdens het schrijven bedenk ik vaak: wat een vreemde jeugd heb ik gehad om mezelf hier telkens opnieuw aan deze tafel terug te vinden. Dit mechanisme moet dan die eigenzinnigheid zijn; die wisselwerking tussen het toeval dat op mij afkomt en het toeval dat mij hier tot deze tafel bracht.

Ik teken de eerste schetsen uit van een verhaal dat ik van plan ben de komende dagen te schrijven. Een met benzo’s op een strandstoel vastgespijkerde vrouw, eerst kwijlend, dan snurkend, verandert traag in een kreeft, en anders dan in De Gedaanteverwisseling van Kafka, laat de verteller duidelijk voelen dat het de eigen schuld van de vrouw is, zonder dat hij enige intentie vertoont die schuld te verklaren. Wat mij literair interessant lijkt is de houding van de lezer tegenover de haatdragende verteller, het grootste gezag in de tekst.

5 augustus

NIETS GESCHREVEN

6 augustus

GESCHRAPT

7 augustus

NIETS GESCHREVEN

8 augustus

9 augustus

10 augustus

11 augustus

12 augustus

13 augustus

14 augustus

VAN 10 TOT 14 AUGUSTUS TIJD, ENERGIE NOCH KOELTE GEVONDEN OM DIT DAGBOEK AAN TE VULLEN

15 augustus

Ik vertrek naar de Ardennen met de zeemeermin, diens border-collie Wasco, de GPS in het Zuid-Afrikaans en het plan met een rubberboot op de Semois te varen. Aan het stuur voel ik mij nog aan de schrijftafel kleven: ik verzink tijdens het rijden in een meditatie over alle schrijvers die zich als ontdekkingsreizigers hebben opgesteld: Cortázar en Dunlop, bijvoorbeeld, en ik denk na over hoe ik de komende dagen in de Ardennen wil schrijven. Ik denk terug aan een vorig dagboekfragment: ‘Het is een cliché op stap te gaan met de intentie door een wereld geraakt te worden’ — en betrap mezelf op het omslachtig afweren van mijn eigen kritiek. Ik bezin me over het wonder van het knipperlicht, over het kosmische belang van knipperlichten in het verkeer: van machinale communicatie die het verschil duidt tussen door zwaartekracht beheerste planeten en auto’s die elkaar in alle willekeur treffen. Dit is onze vrije wil: in één groot vat gepropt waar we met knipperlichten slechts één boodschap dienen te communiceren: ‘ik ga die richting uit, wacht jij even’, en dat we revolutie als verandering zien, terwijl planeten — in astronomische zin betekent een revolutie een terugkeer — al lang begrepen hebben dat ik terug uit de Ardennen mijn oorspronkelijke positie aan die schrijftafel inneem, of zal hebben ingenomen.

De zeemeermin rukt de mondharmonica los uit zijn lippen en vraagt geïrriteerd ‘Waarom hunker je eigenlijk naar die verandering?’

In die zin doet het er inderdaad niet toe waar we heengaan.

16 augustus

Ruimteschip

Ons ruimteschip na dag twee

17 augustus

Misschien is het de lezer opgevallen dat we ter versoepeling van ons dionysisch feest een vuilniszak aan ons ruimteschip hebben gehangen, waarmee ik hier dit dagboek wens te vergelijken: nietszeggende sporen uit het verleden, een opslagplaats voor een toekomstig uitwissen.

Ragout Getoerd 1A

18 augustus

Bepaalde banale bewegingen (bijvoorbeeld het opruimen van het kamp) die herinneringen aan gedachten oproepen, nestelen zich in een mentale map waar de meeste plaats wordt ingenomen door trauma’s. Niet bij machte iets aan het traumatische brandmerk te veranderen, word ik in een vluchtbeweging een richting ingeduwd, alsook mijn denken, waartegen ik evenzeer een angstige pose aanneem. Het raadsel dat het leven is wringt zich steeds meer in mijn mond, zwelt op als een dweil van vlees, zonder de bedoeling zich ooit te laten uitspreken. Iedere handeling die je uitvoert moet rekenschap afleggen over dat mentale landschap, en de mogelijkheden ervan, en de angst voor de mogelijkheden ervan.

Ik schrijf dit op een toiletpot in een bistro naast een Carrefour op drie kilometer van Durbuy. Ik dacht gisteren aan hoe dit dagboek een recupererende functie heeft, als een vuilniszak bij een dionysisch kamp als het onze, maar dat was fout. Wel belichamen deze Ardennen de essentie van dit dagboek: het onderzoeken van de claustrofobie die mij hier, buiten mijn gebruikelijke omgeving overvalt. Ik onthoud een reeks handelingen die ik uitvoeren moet om bij de minste storing verstrikt te raken in die wachtrij van geplande handelingen.

Dus maak ik het me gemakkelijk. Zo heb ik geen zin nat te worden, zwem ik dus niet. Misschien is er geen verschil in mijn geest wanneer ik aan de schrijftafel zit. Het is alsof ik dezelfde routine volg in de Ardennen als aan mijn schrijftafel. Tot ontdekkingen lijk ik niet in staat. Ik neem een bijna even religieuze pose aan in de kampeerstoel als op de bureaustoel, en ik denk aan Kafka’s hongerkunstenaar: die bijzondere kameel die zijn eigenwaarde mat aan de hoeveelheid leed die hij wist te dragen, ook al moet hij dat leed verzinnen, in ieder geval verkommert een mens ook aan het leed dat hij verzint.

19 augustus

De hel van het promotie voeren. Remedie: jezelf niet te serieus nemen. De Facebookpagina Pantheïst en Zeemeermin wordt mijn officiële auteurspagina. Ik wil mijn naam niet in een advertentie veranderd zien. Tijdens een wolkbreuk schuilen de zeemeermin en ik in de auto en beslissen we om de Facebookpagina op te pompen door in willekeurige, door darts-pijltjes getroffen dorpen in België bistrospaghetti’s te recenseren, en die recensies muzikaal op te voeren onder de naam ‘Ragout Getoerd’. Filmpje volgt.

Ragout Getoerd 1B

21 augustus

Thuis aangekomen.

Door mij sinds lang enkele dagen van de schrijftafel te verwijderen, heb ik niet echt iets absoluuts over het schrijven geleerd. Wat zich in de buitenwereld één en ondeelbaar laat aanvoelen; een Buiten, een Waarheid; een Gevoel; deelt en vermenigvuldigt zich in het petrischaaltje dat dit scherm is, de twijfel als een bacterie die zijn tentakels uitslaat en alles besmet wat ze vangt, op zoek naar mijn oog, om zich zo ook tegen zichzelf te keren.

Wanneer ik zowel binnen als buiten de tekst iedere noodzaak te schrijven verlies, reduceert mijn volledige schrijfarbeid zich vanzelf tot de drang een beeld op te zetten dat alles in één vuist samenbalt en mij het denken bespaart — wat dan precies wordt verbeeld is meestal datgene waarvoor ik te laf ben om de tafel te verlaten.

Een roman die in deze manie geproduceerd wordt kan niet anders dan het geheel zijn van alle toevallige botsingen. Misschien is het toeval dat mij hoort te overkomen te vangen in een formule waarbij het volume van de ruimte in verhouding staat met de massadichtheid van de ruimte. Misschien moet ik volgens dat wetenschappelijk bewijs, wil ik mijn verbeelding verluchten en mijn psychische gezondheid een gunst doen, simpelweg opnieuw van mijn stoel opstaan en tegen alle coronarichtlijnen in mijn ruimte verbreden.



Foto's: Baptiste Navarro (Giuseppe in de tuin) en Jarne Debue, de zeemeermin.

Giuseppe Minervini
26.08.2020