Een grote stilte. Voor Ecopolis 2020

Christine Van Acker
15.10.2020
Fill 2 Created with Sketch. Auteurstekst
Elke Karin Lugert Graajutb Jhe Unsplash

Twee Belgische auteurs, de Nederlandstalige Paul Demets en de Franstalige Christine Van Acker, schreven op uitnodiging van Passa Porta een nieuwe tekst n.a.v. Ecopolis 2020. Ze beantwoordden ieder op hun manier dezelfde vraag: 'Wat betekent "de natuur" nog vandaag'?

Hieronder lees je de tekst van Christine Van Acker in een vertaling van Annelies Kin.

*

Al eeuwen zit haar naam – die naam waarin ze haar hebben weggepropt – op hun lippen als boter of saus. Met hun vuile tong en hun smerige woorden hebben ze de breuk veroorzaakt.

Die naam dreven ze de arena in; bedacht op een zinnenstrelend bad stuurden ze er andere namen op af. Toen alles nog open lag en zij prooi noch roofdier was, had ze voor hen geen gevecht in petto, behalve de storm die vandaag woedt, tegen de boorden van het schip dat maar niet kapseist – diezelfde wind liet gisteren zacht zijn zeilen bollen en streelde matrozenruggen als waren het scheepsboegen, die vlaag zal morgen aan land staken en als een briesje op mijn wang wegsterven, op een zomeravond.

Heel lang geleden verbanden ze haar zelf, vanbinnen verslagen en leeg, gooiden haar uit hun bed, jaagden haar uit hun hol als een hond die buiten slaapt, een decor waar je weg van blijft, als te ploegen aarde, een beklemmend woud, hoeven verkocht aan de Duivel. Voortaan maar één naam om de grote zak vast te knopen waar ze helemaal in moest passen.

Sommigen nemen poolshoogte als ze er erg aan toe is, zeggen dat ze niet meer antwoordt, dat ze dovemannetje speelt, wispelturig is. Ze bekennen schuld, straffen en geselen zichzelf, menen hun fouten te kunnen goedmaken, ze willen de remedie zijn die haar wonden heelt. Ze gaan het huis uit, diep de bossen in, rennen de zee in, klampen zich aan bergflanken vast. Het woord dat de zak afsluit knelt ook hun keel af.

Haar naam, uit de mond van de voorwaardelijk vrijgelaten gevangenen – zware ketens drukken in het vlees van hun schouders –, de stedelingen die kerosine vergaren en met duizenden tegelijk opstijgen in een bruidsvlucht naar oorden waar zij, zo beweren ze, de mooiste bruid zou zijn. Maar zodra ze hun vleugels kwijt zijn, vergeten ze hoe je naar haar kunt luisteren en welke taal je met haar praat. Zijn ze die gemeenschappelijke taal soms verleerd, toen de angst toesloeg? Geen stem die hun antwoordt, geen blik die hen ziet. Ze zijn mijlenver van huis.

*

Ik verslond de naam die de zak sluit opdat ze jou niet meer zouden kwijtraken.

Ik verslond de naam die de zak sluit opdat jij weer jezelf zou kunnen zijn.

Ik verslond hem opdat de zak zou opengaan.

Moge je door hun aderen zwemmen! Moge je door hun poriën druipen! Dat ze me niet meer vragen welke vorm je aanneemt of in welke gedaante jij jezelf herkent! Moge de naam die de zak sluit opgaan in een wereld van variaties, vibraties en relaties, waarin nieuwe vondsten verloren gaan, nu je geheimen zijn ontdaan van die grijze cellen in de krappe kerker van hun schedels, zij die steeds willen scheiden wat sinds mensenheugenis samenhoort.

Ik verslond die naam, met het ritmische gebaar van de zaaier, de vochtige hand van de mandenvlechtster, de bebloemde knuist van de bakker, de handigheid van de klompenmaker, de stevige streling van de pottenbakster; met het knaagspoor van de bever, de perfecte rozet van het kogelvisnest en het fraaie nest van de wevervogel…

Ik verslond die naam, samen met die van de Achuar, de Maori, de Kayapo, de San, de Hutu, de Hopi, de Kalmukken en de Songhai…

Met die van Gaspésie, de Caraïben, Melanesië, de Negev en Australië, met die van Vlaanderen en Wallonië…

Ik verslond de naam van de wolf, en die van de wezel, de anaconda, de mangoest, de genetkat, de moerasschildpad, de glimworm, de komodovaraan, de Yucatántiran…

Ik verslond de naam van de sequoia, en die van de baobab, de frangipani, het leverkruid, de monnikskap, de wolfskers…

En die van de Vesuvius, de Himalaya, de Sahara, de Atacama en de Gobiwoestijn…

Ik dronk de naam van de Cantabrische zee, die van de Oostzee, de Adriatische, de Egeïsche en de Dode Zee… die van alle zeeën en alle stromen. Ik slobberde alle rivieren en beken leeg, en likte plassen en mistbanken op. Ik zoog de met regen, hagel en sneeuw beladen wolken leeg…

Doorgeslikt zijn de namen van mijn voorouders, hun katten, kippen, paarden, koeien, geiten, varkens; doorgeslikt zijn die van hun vaardigheden, verhalen, oorlogen en ziekten. Doorgeslikt die van hun herinnering. Doorgeslikt zijn de namen van andere stammen en hun verwanten: ouders, kinderen, zeboes, elanden, pekari’s, geneeskrachtige planten, rivieren, vulkanen… Doorgeslikt zijn hun kennis, verhalen, oorlogen en ziekten. Doorgeslikt de naam van hun herinnering.

Ik slikte al hun namen door in deze wereld, de enige die ik me kon voorstellen zonder haar te kennen.

Ik drukte mijn mond tegen het kleine gaatje en slokte ze allemaal op: Wodan, Thor, Ganesh, Vishnoe, Rongo, Gomawe en alle andere goden en godinnen van de hele wereld, zodat je weer plaats kreeg in je schelp.

*

Ze vragen mij:
— Maar wie is ze vandaag?

Wat is er mis tussen hen en jou? Sinds het eerste ontwaken van hun bewustzijn werden ze door hun gedachtestroom meegezogen. Zij, die zo op één enkele naam hopen… een naam die ik hier zou moeten onthullen.

Nog niet zo lang geleden richtten ze de ene brandstapel na de andere op en verbrandden ze mensen als ik met honderden tegelijk, uit angst me te horen zingen in de taal van vroegere tijden, toen alles en iedereen sterk verbonden was – mensen, niet-mensen, levenden en dode materie.

Binnen in ons is er een aarzelende evolutie aan de gang. Ze schrapt en herbegint, ze improviseert zonder te weten hoe vaak ze nog blindelings door kan gaan, hoeveel eeuwen ze nog heeft om het ondenkbare, het onnoemelijke opnieuw te kneden.

En welke kant moet ze uit?

*

Ik vocht met een bek, met klauwen, tanden en hoorns… Ik zwom met mijn vinnen, klapwiekte met mijn vleugels, liep op mijn poten; ik klom, groef, loeide en brulde, trompetterde en piepte. Ik rolde door het stof. Ik legde mijn lange hals op die van mijn zus.

Ik reikte naar het licht, huiverde toen de kraanvogels voorbijvlogen, ik verloor mijn bladeren, verlengde mijn leven via mijn wortelstokken. Ik keek naar de wereld zoals glimmerdeeltjes in een blok graniet een wegzakkende zon weerkaatsen die op de horizon balanceert, zoals de maag van een slak de al te droge aarde aftast, zoals de schors van een afgeleefde eik zich vasthaakt aan de vacht van een vos, die met zijn neus tegen de grond voorbijloopt…

Ik hoorde hoe een zuchtende wind door me heen blies, de adem van een geest misschien. Als een arend liet hij zich op mijn thermiek meevoeren.

*

Elke dag zo nieuw als de wedergeboorte van een verleden dat opflakkert, mijn seizoen loopt ten einde. De pruimenboom leeggeplukt. Pompoenplanten met zwarte, dorre stengels. Weggevlogen zwaluwen. Straks zie ik mijn spiegelbeeld niet meer in de ogen van de schapen.

Liggend op de bladgrond laat ik me schillen en snijden, laag na laag, schil na schil, nerf na nerf, spier na spier. Ik laat mijn bloed drinken, mijn lymfevocht, urine, gal, slijm, mijn sappen, afscheiding en enzymen. Ik geef me over en laat me verslinden.

Straks lijk ik op strandzand, door rukwinden verjaagd, door de golven in zee gesleept, in de nabije toekomst waarin niets meer zal bestaan dat een naam draagt.

*

Je stem, die veel te lang moest zwijgen, sprak door mijn mond, de aarde versmolt met de kosmos.

Hij plantte zijn grote stilte in haar hart.

***


Ik noem haar Natuur,
deze wonderlijke gemeenschap
waarin ons lichaam ons binnenleidt.
Novalis


Christine Van Acker, voor Passa Porta, juli 2020.
Vertaald uit het Frans door Annelies Kin


Christine Van Acker (1961) presenteert zichzelf als 'een heterotrofe mesozoïsche eukaryoot die behoort tot het dierenrijk, afdeling gewervelden, tweevoetig, omnivoor, en die zich geslachtelijk voortplant. Deze vrouwelijke, Franstalig-Belgische mensachtige is genetisch geprogrammeerd om als instrument te dienen voor de vrije expressie van haar chemische bestanddelen.'

In de letteren zoekt zij verwoed naar het oerelement, als een blinde mol die de aarde uit zijn lange gangen graaft en woorden naar de oppervlakte brengt, als residuen van het onderzoek naar de materie waaruit zij bestaat, en met als enige hoop om het levenloze te bereiken dat het hart is van al het aanwezige. Desalniettemin heeft zij als auteur een site die alle primaten mogen raadplegen: www.lesgrandslunaires.org. Haar jongste boek is L’en vert de nos corps (éd. L’Arbre de Diane, 2020).

Christine Van Acker
15.10.2020