Public message (29) Menigte

Alejandro Zambra
01.07.2020
Fill 2 Created with Sketch. Author text
Chuttersnap 8 I423F Rmwj M Unsplash

‘Social distancing’ is wat Corona-experts adviseren, ‘social nearness’ is wat we met onze literaire ontmoetingen beogen. Passa Porta wil het contact met lezers en schrijvers niet verliezen en vroeg auteurs uit binnen- en buitenland de voorbije maanden om een persoonlijk ‘Bericht aan de bevolking’ vanuit hun schrijfkamer.

Na de Braziliaan Michel Laub geven we het woord aan een tweede toonaangevende Latijns-Amerikaanse auteur. In het gezelschap van zijn zoontje denkt de Chileense schrijver Alejandro Zambra, die nu in Mexico-Stad woont, terug aan de bezette straten in Santiago de Chile, en mijmert hij over de collectieve dromen die het coronavirus nu lijkt te dwarsbomen.

In 2012 was Alejandro Zambra writer-in-residence bij Passa Porta. Bij Uitgeverij Karaat verschenen Luc de Rooys vertalingen van zijn romans Bonsai, Het verborgen leven van bomen, Manieren om naar huis terug te keren en Begrijpend lezen, alsook de verhalenbundel Mijn documenten en het lange gedicht Mudanza: een verhuisbericht. Volgens de New York Times is hij ‘de meest besproken Chileense schrijver sinds Roberto Bolaño’.

-

In mijn droom duikt een gek op die jaren geleden, in New York, op een hoek van Bryant Park of bij de ingang van Grand Central ging staan en de mensen die hem passeerden classificeerde. ‘Tourist, not a tourist, tourist, tourist, not a tourist’, oordeelde hij op een mechanische en tegelijkertijd vreemde maar vriendelijk toon. Hij was misschien wel twee meter, had lang, rood en onverzorgd haar, en groene ogen die leken te zijn ingebed in zijn gezicht dat een permanente en extreme concentratie uitstraalde. De man was wel degelijk begaan met het ambitieuze project om alle gezichten in de menigte te classificeren, en ik kreeg de indruk dat hij resultaat boekte, hoewel hij plotseling aarzelde of zich vergiste, zoals bij mij: mijn immigrantengezicht maakte dat hij mij bijna altijd zag als ‘not a tourist’, maar me ook weleens classificeerde als toerist.

In de droom is alles precies hetzelfde als in mijn herinnering, maar we bevinden ons er niet in Bryant Park of in Grand Central, maar in een even overbevolkte buurt van Mexico-Stad of Santiago de Chile. Ik weet niet of de gek me aankijkt of me classificeert, maar zijn aanwezigheid beurt me op, voelt aan als een goed voorteken. Op de volgende hoek van de straat stuit ik op een vriendin – iemand die ik niet ken, die ik nooit eerder heb gezien, maar in de droom weet ik dat ze een vriendin van me is –, die hetzelfde doet als de gek, al lijkt zij niet krankzinnig maar overweldigd of kwaad of allebei. Ik wil blijven staan om een praatje met haar maken maar ik begrijp dat ik haar niet van haar taak mag afhouden. Nu weet ik zeker dat ik me in Santiago bevind en dat ik in de richting van de bergketen van de Andes wandel (die ik niet zie of zoek, maar ik weet dat hij daar is).

Ik begin sneller te wandelen, ik wil weten of op de volgende hoek van de straat ook iemand staat die bezig is met deze absurde en vreselijke taak. Ze zouden een formulier moeten gebruiken, anders vergeten ze nog iets, denk ik, en dan kijk ik naar de menigte en krijg ik een andere vage, verstorende gedachte, iets als ‘dit is de menigte’ of ‘ik bevind me in de menigte’ en dan vermengen die woorden zich met de stem van mijn zoon die zijn moeder roept en ik word wakker.

*

Het is kwart over vijf in de ochtend maar mijn zoon heeft het licht aangeknipt. Wonder boven wonder slaag ik erin hem ervan te weerhouden zijn moeder wakker te maken. In mijn armen neem ik hem mee naar de woonkamer terwijl ik hem, op de toon van een terloopse opmerking of van een ontdekking, laat weten dat het ’s nachts de bedoeling is dat je slaapt en dat je overdag speelt, en hij kijkt me medelevend aan, zoals je kijkt naar wie koppig vasthoudt aan een in elk opzicht nutteloos argument. Tot een paar weken geleden gingen we, wanneer Silvestre voor zonsopkomst wakker werd, altijd bij het raam naar buiten staan kijken en we telden dan de rode, witte of blauwe auto’s – hij koos altijd de kleur –, want op dat tijdstip waren er daar al meer dan genoeg van, of we besloten de voetgangers die met hun haastige natte kapsels op een drafje naar het metrostation liepen namen te geven. Nu is er niemand op de stoep te bekennen en maar heel af en toe rijdt er een auto voorbij en ik weet al dat mijn zoon, zoals hij dat dagelijks doet, opnieuw gaat vragen waar iedereen is, en ik bereid zelfs al mijn gebruikelijke antwoord voor, maar in plaats van tegen me te praten valt hij onverwachts in slaap.

We gaan in de schommelstoel zitten en dan denk ik terug aan mijn droom, aan die menigte die plotseling abstract werd, ongedefinieerd, terloops. Het gebeurt niet zelden dat ik over menigtes droom, integendeel, mijn dromen zijn meestal gevuld met buitenbeentjes die secundaire personages worden, of met secundaire personages die plotseling de hoofdrol voor zich opeisen, maar ik vraag me af of deze droom nieuw is, óf deze menigte wel nieuw is. Misschien dat iedereen die in mijn droom verscheen gisteren, op hun beurt, ook wel over drukke straten droomde. Ik raak opgewonden van dat idee, van die lyrische gril. Ik denk aan de mensen die deze quarantaine hebben doorgebracht met het dromen over onmogelijke menigtes.

Ik denk aan mijn vrienden in Chili, die twee maanden geleden de straten bezetten en die nu, tijdelijk in hun eentje, onze collectieve dromen opnieuw overdenken. Ik denk aan de betwistbare schoonheid van het woord ‘menigte’. Aan wat het woord uitstraalt en aan wat het verbergt.

Ik herinner me een avond, op mijn twaalfde, terwijl ik in de metro zat. Veel kinderen keerden op dat tijdstip, tegen achten, terug van hun school in het centrum van Santiago naar hun huis in Maipú, en in de bus ging het er altijd plezierig aan toe, had je altijd gezelschap, maar die avond wilde ik de metro nemen om vóór iedereen weg te zijn, niemand tegen te komen. Ik was verdrietig, ik weet niet meer waarom, maar ik herinner me wel nog het moment dat ik, enkele seconden voor ik bij de halte Las Rejas uitstapte, naar de menigte keek waar ik deel van uitmaakte en dacht iets als: ze hebben allemaal een leven, ze gaan allemaal naar huis, ze hebben allemaal ergens behoefte aan of hebben ergens iets te veel van, ze zijn allemaal verdrietig of gelukkig of moe. (Jaren later, toen ik het concept ‘epifanie’ leerde kennen, wist ik meteen met welke ervaring ik het moest associëren.)

Silvestre wordt wakker, als ontbijt eten we een mango, vervolgens luisteren we muziek en gaan op de grond zitten om met zijn waskrijtjes te tekenen. Ik heb het gevoel dat hij zich in zijn eentje wel weet te vermaken, zodat ik nog een kopje koffie inschenk en voor het raam ga zitten. De zon komt aan de horizon op maar de dag lijkt nog niet te zijn begonnen. Ik tel tien auto’s, een paar motors en drie met een mondkapje gemaskerde mannen, uiteraard geen toeristen maar ongewapende, norse, melancholische arbeiders. Iedere dag blijven meer mensen thuis en het beeld van die afwezige menigte stelt me op zekere manier gerust, maar niettemin mis ik de overvolle en luidruchtige straat van een paar weken geleden – of van drie jaar geleden toen we hier kwamen wonen.

Plotseling dringt het tot me door dat ik al een hele poos door het raam zit te staren en overvalt me eerst het schuldgevoel dat ik niet op mijn zoon heb gelet en vervolgens de ogenblikkelijke blijdschap wanneer ik zie dat hij er nog altijd zit, verzonken in zijn werk, geconcentreerd, autonoom. Ik bewonder zijn prachtige chaotische tekening. Een paar dagen geleden besloot hij dat zijn waskrijtjes fruit waren en hij begon er uitbundige krabbels mee te trekken en die licuados te noemen – fruitsapjes.

Ik ga naast hem zitten, help hem het papier vasthouden. ‘Is het een licuado?’ vraag ik. ‘Nee,’ zegt hij stellig. ‘Wat is het dan?’ ‘Dat ben jij, papa, terwijl je door het raam kijkt.’


Alejandro Zambra, juni 2020
Vertaald uit het Spaans door Luc de Rooy

Bekijk de boodschap van Alejandro Zambra tijdens zijn residentie in 2012 (in het Spaans):

 
Alejandro Zambra
01.07.2020