Lander Govaerts over De waterlanders
Op vrijdag 23 oktober stelden we De waterlanders voor, de nieuwe graphic novel van Judith Vanistendael over klimaat, migratie en menselijkheid. Judith vroeg schrijver Lander Govaerts om haar verhaal te lezen. Tijdens de presentatie nam Lander op het podium plaats naast Judith, keek haar in de ogen en vertelde haar dat De waterlanders zijn geloof in de wereld helpt vasthouden. Lees hieronder waarom.
Ik kom aan bij de voordeur, het regent onophoudelijk. Ik bel aan. Vette druppels bengelen aan mijn haar, schaatsen over mijn hals neerwaarts.
De deur blijft gesloten.
Uit het venster schijnt een zwak licht. Ik ga dichterbij, bouw met mijn hand een afdakje boven mijn ogen; ik zie een woonkamer met lege zetel, een tafel vol kwasten, de haard smeult.
Op de televisie speelt het nieuws, weer iemand die het herstellen van de orde belooft, een land dat brandt, nog een oliebron leeggezogen, een houweel breekt een ingestort appartementsblok open, handen bevrijden een in modder gewikkeld kind, de zoveelste neofascistische partij breekt door, al die opverende, doldriest gestrekte armen, en altijd die herhaling, de zweep, de woorden die de spanning opdrijven – die een energie losmaken.
De beelden worden me te veel, ik voel de diepte aan me trekken. Sinds mijn kindertijd overvalt het me, de moedeloosheid om het vernietigen van ieder hart dat klopt, de liefde die stroomt, en voel de aantrekking om mezelf te wentelen in het negatieve, cynisme, het bedwelmende van vergiftigde woorden, wolken,
De Franse techniekfilosoof Bernard Stiegler diagnosticeert deze gevoelens als sociaal symptoom.
Hij stelt dat we in onze laat-kapitalistische tijd zijn gestopt met geloven in de wereld.
De regendruppels wurmen zich onder mijn T-shirt, in mijn schoenen. Ik ben doorweekt, de koude zit in mijn sokken, onder mijn huid. Ik adem in, bel nog eens aan.
De winden, de branden, de regen zijn erger geworden; zullen nog erger worden.
Maar ik wil niet stoppen met geloven in de wereld.
En Judith, jouw boek helpt mij daarbij.
En wel om een specifieke reden die Stiegler bespreekt in zijn werk.
Voor hem is de mens een gebrekkig dier. We worden zonder gespecialiseerde biologische “uitrusting” geboren, hebben geen klauwen, geen vacht, weinig instincten. Dit legt de basis voor het ontstaan van techniek. De mens brengt voortdurend kennis, handelingen en vaardigheden van zichzelf onder in technische objecten. Techniek is voor Stiegler dus geen toevoeging aan de mens, maar de voorwaarde voor menselijkheid zelf.
Naast ons biologisch geheugen, DNA, en het individuele geheugen met haar herinneringen, vaardigheden en ervaringen, is techniek de drager van ons veruitwendigd geheugen. We kennen, gebruiken en consumeren dat allemaal: in teksten, foto’s, film, of ik zeg maar iets: bij het lezen van een stripboek van een Brusselse schrijver-tekenaar die niet graag schoenen maakt, en daarom met haar penseel verhalen oplaadt in een extern en intergenerationeel geheugen.
Wat een individu heeft geleerd, kan hierdoor blijven bestaan, want het kan worden doorgegeven. Het bepaalt hoe huidige en toekomstige generaties kunnen denken, wat ze doen en hoe ze zich iets herinneren, waardoor collectief handelen een mogelijkheid wordt.
Maar hier duikt een probleem op: Stiegler stelt dat hedendaagse technologieën die zijn ingebed in een kapitalistische logica, een verstoring van kennis veroorzaken dat dit tot structureel geheugenverlies leidt. En dat heeft grote gevolgen, het draagt bij tot het verlies van het vermogen om toekomsten te projecteren en hierop te anticiperen. En net dat vermogen tot het verbeelden van een toekomst en hiernaar te handelen, is voor Stiegler de voorwaarde om politiek te kunnen denken.
Op dit punt raakt Stieglers werk dat van Amitav Gosh, een denker waar Judith naar verwijst als inspiratie voor haar boek. Specifiek maakt Gosh de staat op van hoe de hedendaagse literatuur omgaat met klimaatverandering.
Hij stelt dat precies in de periode dat menselijk handelen de atmosfeer van de aarde verandert, de literaire fictie zich naar binnen heeft gericht.
Omdat we troost zoeken in de ontkenning
Omdat een mens maar dragen kan wat botten houden kunnen
Omdat we moe zijn
Moe van het dragen van onszelf, de botten, de ouderen, de kinderen
Moe van het dragen van de dromen van de kinderen
Bang dat zij ze ook zullen verliezen
Fictie, stelt Gosh, heeft ‘de grote, onvervangbare potentialiteit dat ze het bedenken van mogelijkheden mogelijk maakt. En, zegt hij: andere vormen van menselijk bestaan bedenken is precies de uitdaging die de klimaatcrisis voorschotelt.’
Net omdat het verbeelden van een toekomst elke dag moeilijker wordt, heeft de klimaatcrisis nood aan meer verhalen en meer verbeelding om de wereld blijvend geloof-en bewoonbaar te houden.
En, Judith, dat doe jij zo inzichtrijk en teder, bouwend op een materialistische analyse die de huidige ecologische crisis niet verengt tot enkel een klimaatcrisis, maar als onlosmakelijk verbonden met de structuren van de sociaaleconomische en mentale ecologieën. Je stelt scherp welke magie de moderne manier van denken verdrukt; welke wereld we aan het verliezen zijn, maar ook welke te winnen is. En zo draag je bij om een noodzakelijk stuk geheugen te veruitwendigen dat het anticiperen en vormgeven van een toekomst mogelijk maakt.
Je blaast de ingedommelde verbeelding wakker, breekt de horizon open als een bal die je door het nachtelijke park gooit, een bal die jaagt op het duister en ik ben een bordercollie en wil die bal tussen mijn tanden klemmen dus raas achter het fluo aan, tussen de picknickende mensentrosjes door, en ik ren sneller, verder, en denk: waar is die bal? Daar! Bijna van mij, en ik ren verder, bijna in mijn muil, en een van die picknickende mensjes begint tegen me te schreeuwen, een man met een vierkant brilletje, een verloren man, een in-zichzelf-gekeerde man, een navelstarende, niet-dromende man... Geen aandacht aan schenken. Ik moet verder rennen, Judith’s bal is van mij, maar hij blijft schreeuwen. Waarom blijft dit meneertje zo luid en misselijkmakend boos van toon? Ik ben een bordercollie, een onschuldig fluweelzacht kwispelend schapendrijvertje jagend op een lichtflits – bij de les blijven, kalm –, maar ik hoor zijn stem weer en ik herval in mijn oude verlangen perinea van in-zichzelf-gekeerde mannen met vierkante brilletjes te oogsten. Dit mannetje moet zijn benen spreiden en gegespt en afgekloven worden. Ik zal het zelf doen. Mijn speeksel zal hem goed doen. Hij hoeft niet bang te zijn. Ik vertel dit aan niemand. Dit is ons geheim. En als hij flink blijft mag hij mijn bal later ook door het park gooien, zal ik voor hem rollen door het gras, met mijn rugje tegen de bomen schuren en dan mag hij mijn pelsje strelen en mij financieel ondersteunen inzake mijn net opgezette crowdfunding omtrent de oprichting van een coöperatieve met als enige doelstelling de overname en stopzetting van de globale productielijnen van vierkante brilletjes. Judith, jij begrijpt mijn strijd, jij zal niet vreemd opkijken. En je gooit nog een bal en die stuitert zo de aarde af, en de wind tilt ons beide op, tot over de randen van het hemelluik. En we zien een IJslandse vulkaan magma richting dampkring sturen en een kudde muskusossen schaatst pirouettes over de ijsvlakten op een maan van Jupiter, en we landen op hun rossige ruggen en rijden een stukje met hen mee terwijl ze onze wangen vol bellenblaas wapperen. En de dieren zullen spreken, de rotsen, het kril, en de winden kakelen en keffen en de waterwezens zullen ons niet alleen laten,
zolang wij, vervelend onstilbaar troostziek vermoeid dralende teder en weerbare mensjes, hen niet alleen laten.
In dit boek maakt Judith het onze opdracht om terug te geloven in ‘het ademen van de aarde, het samen ademen, het verbond tussen boom en mens.’
En uit elke streep verf klinkt hetzelfde refrein:
Wij zijn het zwijgen nog niet opgelegd, het niet-menselijke is het zwijgen nog niet opgelegd.
Dit boek stelt zich de vraag hoe de wereld terug de moeite waard te maken.
En de regen hakt nog steeds op me in wanneer de deur opent.
Ik voel de warmte van een handdoek, zie een penseel in een hand tot vuist gebald. Een silhouet leidt me binnen, verdwijnt achter een tekentafel, ik zie handen die mij zien, handen die niet gek willen worden.
Ik zet me neer in de zetel, zet de televisie uit en sluit mijn ogen onder het geluid van de haren van het penseel tegen het papier, en ik hoor het blaffen van de zee, voel de regen van mijn wangen verdampen terwijl ik mijn hoofd te rusten leg op het buikje van een zeehond en zie mezelf en mijn geliefde naar slangen speuren, ramen van leegstaande fabrieken ingooien, zingend de scherven begraven, per ongeluk iemand aanrijden tijdens een albino-eland-rijles-initiatie, met een hondjesslee over bevroren meren sjezen, gerookt rendiervlees van tussen mijn tanden pulken met een van kabeljauwribben gemaakte tandenstoker, mijn wangen snijden aan de scharen en schilden van koningskrabben uit de Noordelijke IJszee, kampvuren ontsteken, dronken worden en dan opkijken naar het groene pruttelende ratellicht, de zonnetintels die me prikkelen, een hemel vol toverdrank, uitgesmeerd over een snee volkorenbrood genaamd de nacht, en ik wil hard rennen, het bevroren meer op, niet omkijken, enkel op en op en op, naar een hemel die smaakt naar limoen.
Volgens Stiegler zijn wij gestopt met geloven in de wereld.
Maar Judith niet.
Zij spuwt leven
verlangt leven
Dit boek is een strijdlied tegen het verdwijnen, tegen het uitwissen van verbeelding.
En Judith reikt ons de hand, neuriet,
wees niet alleen maar bang
zweef
kietel
elk kind
moeder aarde
lijm haar gebarsten buik,
en ik zing mee,
met zachte stem.
foto © navid fayaz
Magazine Passa Porta