Een oneindig spel

David Szalay
09.10.2018
Fill 2 Created with Sketch. Auteurstekst
Joao Silas 51725 Unsplash

Geschreven voor internationaal literatuurhuis Passa Porta, voorgelezen bij de opening van het literaire seizoen in Brussel op 2 oktober 2018.

Zodra een cultuurvorm saai mag zijn, zodra er ook wordt verwacht dat die – al is het maar even – saai zal zijn, is die cultuurvorm op sterven na dood. Dan is ze losgezongen van haar bestaansreden.
David Szalay

Ik kreeg het verzoek na te denken over de vraag: Moet je als schrijver aan je lezers denken terwijl je schrijft? Het antwoord was voor mij vanzelfsprekend. Ja, natuurlijk moet dat. Ik beschouw de relatie tussen lezer en schrijver als de relatie tussen twee spelers van een spel. Als prozaschrijver speel je een spel met de lezer. En dat spel heeft maar één regel: als schrijver mag je de lezer niet vervelen, je moet de interesse van de lezer opwekken en zijn of haar aandacht vasthouden. En ja, er zijn vele manieren om het voor de lezer interessant te houden, en wat de één interessant vindt, hoeft dat voor de ander nog niet te zijn.

Voor populaire romans klinkt dat misschien logisch. Niemand zal ontkennen dat populaire romans staan of vallen met het vasthouden van de aandacht van de lezer. Succesvolle populaire romans zetten precies daarop in. Een paar jaar geleden ben ik tot twee uur ’s nachts opgebleven om Moord in Mesopotamië van Agatha Christie uit te lezen. Ik geloof niet dat ik ooit tot twee uur ’s nachts ben blijven lezen in een roman van, ik noem maar wat, Christie’s tijdgenote Virginia Woolf, al waardeer ik haar werk nog zo. Woolf is op een andere manier meeslepend. Doordat we zowel Moord in Mesopotamië als Naar de vuurtoren een roman noemen, wordt verhuld dat ze enorm verschillen in de manier waarop ze interessant zijn voor de lezer; daarnaast wijst het er natuurlijk ook op dat ze iets fundamenteels gemeen hebben.

Het interessante aan Moord in Mesopotamië is doodgewoon dat de lezer niet weet wat er zal gebeuren en in mindere mate dat hij of zij niet weet hoe het zal gebeuren. Wat Agatha Christie zo goed maakt, is dat ze dat inziet en niet tegelijk iets anders probeert te doen. Haar verhalen zijn kort en bondig, en verspillen niet meer tijd aan irrelevante elementen (de context waarin ze zich afspelen, uitdieping van personages, alles wat je onder stijl kunt scharen) dan hoogst noodzakelijk voor de rudimentaire illusie die nodig is om de spanning erin te houden. Van Moord in Mesopotamië herinner ik me eigenlijk niets meer, behalve dan dat ik het niet kon neerleggen tot ik erachter was wie de moordenaar was van... ja, hoe heet ze ook weer. Ik wilde weten hoe de vragen die in het boek waren opgeroepen, beantwoord zouden worden. Nu mag Naar de vuurtoren heel andere vragen oproepen, maar in wezen is de manier waarop dat boek ‘werkt’ vergelijkbaar. Agatha Christie stelt heel simpele vragen, of liever, ze stelt één simpele vraag: Wie heeft de moord gepleegd? En ze is er uiterst bedreven in om de lezer zover te krijgen dat hij of zij die vraag beantwoord wil zien. Maar een roman als Naar de vuurtoren draait óók rond vragen en antwoorden, werkt ook door vragen te stellen waar de lezer het antwoord op wil weten. Het zijn heel andere vragen: over de aard van perceptie, over de aard van tijd, over de menselijke aard, maar ze moeten nog steeds zo aan de lezer voorgelegd worden dat die het antwoord erop wil weten – en om de leeservaring de moeite waard te maken, moet toch íéts van een antwoord worden gegeven. In beide gevallen schept de relatie tussen vraag en antwoord bepaalde verwachtingen bij de lezer, en dankzij het behendige spel van de schrijver met die verwachtingen houdt het boek honderden bladzijden lang de aandacht vast. Of het daarin slaagt is het enige criterium voor het bepalen van zijn succes. Maar ook Naar de vuurtoren staat of valt met het vermogen om de aandacht van de lezer vast te houden.

Wie dat ontkent, kan net zo goed zeggen dat zogeheten ‘serieuze’ literatuur saai mag zijn. (Door het ‘serieuze’ literatuur te noemen, lijkt saaiheid trouwens ineens toegestaan.) Alleen, zodra een cultuurvorm saai mag zijn, zodra er ook wordt verwacht dat die – al is het maar even – saai zal zijn, is die cultuurvorm op sterven na dood. Dan is ze losgezongen van haar bestaansreden. Dan is het een plichtmatig ritueel geworden, waar steeds minder mensen, eigenlijk voornamelijk ouderen, nog belangstelling voor hebben, tot ze helemaal vergeten is. Opera bijvoorbeeld is zo al een eind op weg. Ik besef dat er mensen zijn die ook op die manier over literatuur denken. Zelf ben ik optimistischer gestemd, dus zeg ik: Nee, literatuur mag niet saai zijn. De voornaamste, de enige plicht van literatuur is om interessant te zijn. De rest doet er niet toe.

De reden is uiteindelijk heel eenvoudig. In andere genres, in andere tekstsoorten is de tekst als het ware een middel, een manier om bepaalde informatie over te dragen. Wat literatuur daarvan onderscheidt is dat de tekst een doel op zich is, die dat inherente ‘interessant zijn’ als enige bestaansvoorwaarde heeft.

Reductionisme, zegt u? Over schrijven wordt meestal in grootsere bewoordingen gepraat. Het wordt gezien als iets van maatschappelijk of intellectueel belang. Het wordt gezien als een welhaast wetenschappelijke of filosofische studie naar de aard der dingen. Zo’n opvatting kan al snel omslaan in een voorwendsel om de belangrijkste taak, namelijk interessant te zijn, te verwaarlozen; en daar begint de decadentie, het verval. Een overmaat aan prestige is de dood voor elke kunstvorm.

Een al even grote bedreiging is het idee dat iets goed voor je is of een middel is om iets te bereiken, zoals wanneer schrijven zogenaamd therapeutisch is voor de schrijver en dan een instrument voor persoonlijke ontwikkeling of een spirituele tocht wordt. ‘Graaf diep in jezelf, strijd tegen je twijfels en word degene die je ook kunt zijn’, zo werd het schrijfproces onlangs in de krant omschreven, door een bekende school voor creative writing. ‘ken jezelf’ was de titel. ‘Schrijven is meer jezelf worden, zodat je kunt zijn wie je wilt zijn. Het is erkennen dat schrijven meer is dan een hobby, dat het een krachtige drijfveer is in je leven, die je tot verregaande individuele expressie kan brengen. Een roman schrijven is jouw stempel zetten op de wereld. Het komt uit het diepste van je ziel.’

Daar denk ik anders over.

Voor mij is een roman schrijven een spel met de lezer spelen.

Schrijven is geen religieuze, maar een retorische daad. Alle schrijvers zijn ooit lezer geweest. Daar, in de kindertijd, begint de notie van het spel. Daar leer je de spelregels. Daar wordt de basis gelegd van leesplezier. Het lezende kind voelt zich deelgenoot in de schepping van een verbeelde ervaring en beseft heel goed dat hij wordt gemanipuleerd, dat hij meespeelt in een spel. Voor mij is dat gevoel nog steeds het grootste plezier van lezen en meteen ook een van de grootste genoegens van het schrijven, omdat lezen en schrijven geen los van elkaar staande activiteiten zijn, maar met elkaar verbonden zijn. Van individuele expressie is dan nog geen sprake.

En toch hebben we, in ons latere leven, nog wel eens het gevoel dat individuele expressie uiteindelijk wel belangrijk is. Dat hangt volgens mij samen met een idee van ‘waarheid’. We stellen individuele expressie gelijk aan waarheid, en de waarheid, die willen we graag. Die interesseert ons.

Ik vraag me nog weleens af hoeveel mensen ooit stiekem in het dagboek van een bekende hebben gelezen. Dat kan een behoorlijk meeslepende ervaring zijn: waar we het eerst toevallig onder ogen kregen en niet aan de verleiding konden weerstaan om er een blik op te slaan, heel even, zoals we onszelf hadden beloofd, bleken we een halfuur later en tientallen bladzijden verder nauwelijks te kunnen ophouden. Zomaar in iemands ongekuiste gedachten kijken heeft iets opwindends. We worden een beetje giechelig van iets wat niet voor onze ogen bestemd is. Het is alsof we dichter bij het wezen van de dagboekauteur komen. Alsof we dichter bij zijn of haar waarheid komen. En is dat niet precies waar proza naar hoort te streven? Het blootleggen van algemeen menselijke waarheden waarbij dit loze geklets over spelletjes in het niet valt?

Wat het lezen van vrijwel alle vormen van proza zo fascinerend maakt, is ongetwijfeld dat inkijkje in de gedachten van anderen, ook al zijn het dan verzonnen personages. We mogen even achter de doorgaans ondoordringbare façade kijken die anderen de wereld voorhouden, en zien wat ze ‘echt’ denken en voelen. We mogen hen, met andere woorden, ervaren zoals ze zichzelf ervaren, en zo hopen we een waarheid te vinden: de waarheid die gevonden kan worden, zo denken we graag, door de menselijke aard van nabij te onderzoeken. Dat is de voornaamste taak geworden van serieuze romans. Het is dan ook geen wonder dat het er de meeste romanschrijvers veel aan gelegen is om de personages in hun boek zo levensecht en overtuigend mogelijk neer te zetten. Om ze zoveel mogelijk op echte mensen laten lijken. Want alleen als ze op echte mensen te lijken, kan via hen zo’n waarheid worden gevonden. Van de achttiende eeuw tot heden zijn allerlei technieken gebruikt om personages te creëren die echt lijken: door ze via hun brieven op te voeren, bijvoorbeeld, of door hun stream of consciousness. Zolang die technieken nieuw zijn en de lezer ze nog niet kent, werken ze uitstekend. De personages komen tot leven met de kracht en rauwheid van beleefde werkelijkheid. Mettertijd raken die technieken echter versleten en voorspelbaar, als tactieken in een spel, zodat de personages niet meer op echte mensen lijken, maar alleen nog op personages in een roman, het product van een illusie. En hoe echt de personages ook mogen lijken, natuurlijk is het dat ook: een illusie.

Dat wij het vervelend vinden om dat te beseffen, dat we het problematisch vinden dat het überhaupt een illusie is, zegt al iets over onze moeite om literatuur niet als iets religieus, maar louter retorisch te zien. We willen het gevoel hebben dat we iets authentieks betrapt hebben. Eén manier om dat probleem te omzeilen is boeken schrijven die uitstralen: Dit is helemaal geen illusie. Dit is echt. De personages en gebeurtenissen in dit boek zijn echt. Boeken die, met andere woorden, de scheidslijn tussen verzonnen verhaal en realiteit dusdanig vervagen dat de lezer niet meer ziet wat echt is en wat niet. Een voor de hand liggende techniek is de naam van bestaande mensen gebruiken, vooral die van de auteur, zoals in de prikkelende titel Het seksuele leven van Catherine M. van Catherine Millet, of in Weg met Eddy Bellegueule van Edouard Louis. Een andere mogelijkheid is de stijl van een dagboek imiteren; cruciaal daarbij is de indruk te wekken dat de schrijver nadrukkelijk níét aan de lezer dacht toen hij of zij de woorden op papier zette of op een laptop intikte. Het gebrek aan verfijning, aan gepolijstheid, is bedoeld om de authenticiteit van het geschrevene over te brengen, wat natuurlijk regelmatig lukt. We hebben het gevoel dat we iets lezen dat ons rechtstreeks onder ogen is gekomen – en wie weet is dat ook zo. Juist doordat we dat niet zeker kunnen weten, wordt het beoogde doel bereikt en lijkt het echt wat we lezen. Líjkt. Dat is de kern, want door een geschreven tekst ‘proza’ te noemen, als ‘roman’ te betitelen, zeggen we maar één ding: de kern is dat wat er beschreven wordt niet waar ís, maar waar líjkt. De schrijver volgt een paradoxaal aandoend proces waarbij hij de lezer ervan wil overtuigen dat hij niet aan hem of haar denkt, zich onverschillig toont, zich niet bewust lijkt van de aanwezigheid van de lezer, en toch diezelfde lezer al die tijd voor ogen houdt, want juist voor de lezer streeft hij ernaar dat gevoel van authenticiteit op te roepen, en daarmee diens belangstelling, die ook nog eens geprikkeld wordt door zijn ogenschijnlijke onverschilligheid. Die onverschilligheid is op haar beurt een illusie, een nieuwe zet in een oneindig spel.

Vertaling Leen Van Den Broucke
© David Szalay, Leen Van Den Broucke en Passa Porta, oktober 2018
David Szalay
09.10.2018