Schrijvers over Streuvels (1): De klei voeden

Fikry El Azzouzi
16.10.2019
Fill 2 Created with Sketch. Author text
1024Px Ingooigem  Het Lijsternest

Passa Porta vroeg 3 Vlaamse auteurs een tekst te schrijven naar aanleiding van het vijftigste sterfjaar van Stijn Streuvels (1871-1969). In ‘Het Lijsternest’, het huis in Ingooigem waar hij van 1905 tot zijn dood woonde, bevindt zich een museum en kunnen schrijvers zich regelmatig terugtrekken om aan een nieuw boek te werken.

Wat hebben de grote thema’s in het werk van deze Vlaamse Reus nog te betekenen voor schrijvers van nu? In deze eerste aflevering lees je het antwoord van romanschrijver en theatermaker Fikry El Azzouzi, die in 2015 de Arkprijs van het Vrije Woord ontving voor zijn roman Drarrie in de nacht en het toneelstuk Reizen Jihad. Dit jaar publiceerde hij zijn vierde roman, De beloning.

Ergens in een stille uithoek van Vlaanderen, daar waar kunstenaars nog hun schildersezel opstelden en waar Fikry El Azzouzi even exotisch klinkt als een tijgermug, daar gaf ik een lezing in een lokale bibliotheek. Op het einde van mijn voordracht werd er voor de verandering een originele vraag gesteld: ‘Meneer El Azzouzi, welke schrijver vindt u nu zelf indrukwekkend?’

Vreemd verzoek, maar meneer El Azzouzi, zo mogen ze mij wel vaker aanspreken.

Ik legde mijn hand getormenteerd op mijn hoofd, krabde even in mijn haren, deed alsof ik in diepe gedachten verzonk en antwoordde: ‘Nu vraagt u mij iets. Ik ben alleen onder de indruk van mezelf.’

Een lezing moet altijd een beetje entertainment zijn. Zelfs in een stille uithoek van Vlaanderen. Ik denk dat ik geslaagd was in mijn theatraliteit, want ik had sommige lachers op mijn hand. Helaas reageerden anderen ietwat geïrriteerd op mijn cassante opmerking. Zo gaat dat. Wat de ene hilarisch vindt, is voor de andere flauw en onbegrijpelijk.

Om de hele groep mee te krijgen moest ik iets zinnigs vertellen. Maar wat?

Om tijd te winnen ademde ik diep in, woelde wat in mijn haren, duwde mijn vuist tegen mijn kin en vertelde dat het werk van Stijn Streuvels mij wel kon bekoren.

Stijn Streuvels? Gemompel in de zaal. Opnieuw de lachers op mijn hand, deze keer onbedoeld. Had ik iets verkeerds gezegd? Moest ik mij beledigd voelen of het eerder zien als een compliment? Misschien ben ik van nature grappig of vonden ze me gewoon onnozel. Dat kon allemaal. Humor is subjectief.

Nu kon ik niet meer terugkrabbelen, dus hield ik voet bij stuk. Het publiek reageerde nog steeds vol ongeloof. Correctie, de helft van het publiek. De andere helft had nog nooit van Stijn Streuvels gehoord. Dat motiveerde mij nog meer om hen ervan te overtuigen Streuvels’ werk te lezen.

Ook al had ik maar één roman van hem gelezen — wat ik uiteraard niet heb verklapt — ik waande mij een echte Stijn Streuvelskenner. Mijn passie, mijn hardnekkigheid, het bracht allemaal geen zoden aan de dijk. Ik voelde zelfs enige irritatie. De lezing was namelijk op een donderdagmiddag georganiseerd, speciaal voor gepensioneerden die graag lazen en vooral wilden weten of al die horrorverhalen in de krant wel klopten.

Waarom zouden ze een boek lezen van een schrijver die al eeuwenlang verleden tijd was? Ze wilden verhalen van een hedendaagse schrijver. Uiteenzettingen over radicalisering, islam, of ik wel een moslim was, een echte moslim of iemand die het geloof graag met een korreltje zout nam. Dat verdiende hun belangstelling. Geen saai verhaal dat zich afspeelt op weidse akkers.

Ik zuchtte, liet merken dat ik me begon te ergeren aan zo veel heiligschennis en wees met mijn vinger naar het publiek.

‘Ik en Stijn Streuvels… wij hebben vele gelijkenissen.’

Daarna viel ik zonder woorden. Het publiek keek me reikhalzend aan, verwachtte een vlammende monoloog over onze overeenkomsten. Ik moest iets verzinnen, daar verdiende ik tenslotte mijn kost mee. Anders was ik niet eens grappig, maar voor de hele zaal een charlatan, een bedrieger en een onnozelaar.

Om te tonen dat ik alles onder controle had, streek ik mijn haren glad, glimlachte en zei: ‘Mag ik jullie iets vragen? Waarom geloven jullie mij niet? Stijn Streuvels en ik, waarom gaan jullie ervan uit dat dit niet kan kloppen? Waarom kan een kind van Marokkaanse migranten niet houden van een schrijver die uit West-Vlaamse klei is opgetrokken? Zelfs al is hij van een vorige eeuw, heeft hij een gigantische snor en draagt hij klompen. Van die klompen ben ik niet zo zeker, maar Stijn Streuvels leek me wel zo’n type dat graag klompen droeg.’

Door die klompen kreeg ik gelach in de zaal. Ik zou echt stand-upper moeten worden.

‘Stijn Streuvels maakte zich vuil met de klei, hij deed geen moeite om zich daarvan te bevrijden, en dat was ook zijn kracht, hij voedde de klei zodat er iets groeide: literatuur die zelfs kon aarden in de Sahara.’

Instemmend geknik bij het publiek. Op dit elan moest ik verdergaan.

‘Stijn Streuvels is mij aangeraden door collega Erik Vlaminck, ook bekend als Dikke Freddy, ook bekend als voormalig docent van meneer El Azzouzi. Schrijver van tientallen romans. Ik heb Suikerspin, Brandlucht en Wattman van hem gelezen. Erik Vlaminck behoort tot mijn favoriete schrijvers. Maar we hadden het over Stijn Streuvels. Waar was ik gebleven? Het was Erik Vlaminck die me had aangeraden om eens een klassiek werk te lezen, van een schrijver die zo goed als weggedeemsterd was. Stijn Streuvels moest ik proberen. En vooral Het Leven en de Dood in den ast. Erik Vlaminck vertelde me dat Stijn Streuvels eigenlijk een bakker was die niet alleen lekker brood bakte, in zijn vrije tijd schreef hij ook grootse romans. Dat was voor hem niet genoeg, want ondertussen vertaalde hij de grote Russen, uit het Duits, en met behulp van een woordenboek. O ja, en Guido Gezelle was zijn oom.

Ik stond er eerst sceptisch tegenover. Waarom fossiele boeken lezen terwijl er nog zo veel goede modernere werken op mij staan te wachten?

Uiteindelijk heb ik Het Leven en de Dood in den ast een drietal keer gelezen. Of was het vier keer?

Wat fascineerde mij zo? Was het het slavenwerk van de ietwat bevreemdende personages Maf, Lot, Blomme, Hutsebolle, Fliepo en Knorre? Ik ben er zelf niet uit of ik die vreemde namen nu goed gevonden of onnozel moet vinden. Ze spreken in ieder geval tot de verbeelding.

De personages konden niet met elkaar communiceren en hielden hun gesprekken steeds oppervlakkig. Zelfs na de dood van landloper Knorre. Maar inwendig begonnen ze steeds dieper na te denken over de essentie van het bestaan.’

Waarom raakte Het Leven en de Dood in den ast mij zo? Dat vroeg ik me vaak af. Is het de eenzaamheid, de vergankelijkheid, de ontgoocheling in het leven? Is het de vluchtige conversatie die voor mij zo herkenbaar leek, terwijl Streuvels mij onder die laag zoveel meer vertelde? Was het de West-Vlaamse straattaal die hij hanteerde? Het verhaal dat als klassiek theater leek? Of Streuvels’ mededogen voor de gewone werkmens? Die sombere, magisch-realistische sfeer waar ik zo van hou?

Ik voelde de personages aan, ik begreep Stijn Streuvels. Maf, Lot, Blomme, Hutsebolle, Fliepo en Knorre kon je evengoed Mo, Abdel, Ahmed, Fikry, Rachid en Ali noemen. En daarom vind ik Het Leven en de Dood in den ast het perfecte antwoord op het ideologische onkruid dat op onze Vlaamse klei groeit en bloeit.

Fikry El Azzouzi, 2019
Foto: Het Lijsternest in Ingooigem, Wikimedia Commons
Fikry El Azzouzi
16.10.2019