Ga verder naar de inhoud

Ben ik nu echt uit de penarie?

Hélène Frappat
08.05.2026
min
auteurstekst

Enkele maanden voor haar zelfmoord in 1963, schetste de Amerikaanse schrijfster Sylvia Plath een getroubleerd beeld van deze mythologische figuur in Medusa, een gedicht waarover veel is geschreven en dat een van haar meest mysterieuze blijft. We vroegen aan drie auteurs om een antwoord op dit gedicht te schrijven dat tegelijk een persoonlijke en hedendaagse visie op de mythe zou zijn. Hier lees je de tekst van Hélène Frappat, Franse auteur (Trois femmes disparaissent, Le Gaslighting ou l'art de faire taire les femmes).

Mama, ik moet je vermoorden. 

Om het land van de nachtmerries te verlaten, begon ik te schrijven. 
Gisteren schreef ik twee bladzijden over De Mama.

Maar waar schuilt de horror? Het betreft de monoloog van een krankzinnige. Geen verhaal, geen vaste grammatica. 
Waar schuilt de horror? Kon ik maar wat gruwel stoppen in dit verhaal over een moeder…

*

Een moeder dient om tegen haar dochter te zeggen: Was je haar. 
Bestaat er iets stommers? 

Bestaat er iets stommers dan vandaag je haar te wassen, en dat morgen al opnieuw te moeten doen? 
Ik hoef er maar aan te denken en ik word moe. 
Opnieuw en opnieuw. 

Een marteling. 
Zeg mama, hoe doet een meisje dat, om eens en voorgoed de dingen aan te pakken en daarmee uit? 

Toen ik geboren werd, heb ik mijn moeder vermoord. 
Neemt mijn moeder me dat kwalijk? 
Vervloekt ze de dag dat ik geboren werd vanuit het dodenrijk? 
Zegt mijn onzichtbare Mama vanuit het schimmenrijk: 
Ik vervloek de dag dat je ter wereld kwam! Ga weg! Ga weg! 
Hoort ze me antwoorden: 
Mama! Hoor ’ns. Luister naar mijn verhaal. Hoor ’ns, en als je wilt, kun je daarna vernielen wat je eigenhandig hebt gemaakt.  

*

Omstreeks mijn elfde begon mijn haar rood te kleuren. Mijn levensbloed vloeit over mijn schedel. Daaronder groeit er niets. In de volle zon schiet mijn haar in brand. De kinderen lachen met de vlammen. Mijn moeder maakt een afspraak bij de kapper. Ik sla op de vlucht, begin te dolen! ’s Nachts word ik gewekt door een straaltje maanlicht. Ik kom overeind: door de schaar van mijn moeder afgesneden van hun wortels, vallen mijn dode krullen op het laken.  

 * 

Toen ik je lichaam verliet, klampte een viskeus schepsel zich aan me vast. 
Wie kan de gruwel van mijn geboorte begrijpen? 

Een viskeus schepsel klampt zich vast. 
Geef me lucht! Verdwijn! Zoveel slijm, tentakel!  

Ze wassen me. Ze wrijven me droog. Ze halen me uit de met het lauwe bloed van mijn moeder doorweekte lakens. De schoonheid van mama smelt zienderogen weg. In mijn rottende schuilplaats wemelt het al van de maden.  

Ik ben nog maar net geboren, en nu al verander ik mijn thuis in een graf. Ik ben nog maar net geboren en nu al begint het opnieuw. 
Een foltering.  

Zeg ’ns mama, hoe doet een meisje dat om eens en voorgoed geboren te worden? 

In de duisternis van mijn moeders buik weigert een bloederig monster, een rekbaar membraan, me te volgen. 
Hoe hard de vroedvrouw ook trekt aan de navelstreng, de placenta komt maar niet los. 

Uren en urenlang! 
Terwijl de nacht uitsterft, verzamelt de chirurg zijn instrumenten om een vonkje leven te schenken aan het roerloze ding voor zijn voeten. 
Tot de ochtend, zonder verdoving haalt hij de placenta tevoorschijn. 
Ach, wat een verschrikkelijke nacht. 
Zeg ’ns mama, hoe doet de nacht dat om eens en voorgoed te verdwijnen? 

*

Ik ben volwassen. 
Ik ben in staat leven te schenken, leven met dat hele vlechtwerk van vezels, spieren en aders. 
Ik weet wat een bevalling is – een bloedige ceremonie. 

De chirurg tast mijn vochtige ingewanden af; tussen mijn benen brengt hij een klauwtang in; hij foltert mijn inerte organen, die óp zijn door de schepping van een mens; hij schendt mijn geheimen. 
Bloedrivieren spoelen mijn aders leeg. 
Dagen- en nachtenlang schreeuwen, bloeden! 
Schepselen verlaten mijn lijf, soms levend, dikwijls dood. 

De schepselen doen een dof oog open, kaken die ongearticuleerde klachten brabbelen… 
De schepselen vervullen me met een vormeloze horror! 

*  

Heel boze dromen tegenwoordig. Vorige week, na mijn regels, droomde ik dat ik een baby van één maand verloor. Volledig gevormd, maar slechts een hand groot, stierf de baby in mijn buik en viel voorover. Ik keek naar mijn blote buik en zag rechts de ronde buil van zijn hoofd uitsteken als een gesprongen blindedarm. Zonder veel pijn ter wereld gebracht, dood reeds. Daarna heb ik twee baby’s gezien, een grote van negen maanden en een kleine van een maand met de kop van een blind, wit biggetje dat zich ertegenaan vlijde. Maar mijn baby was dood. Ik denk dat ik mezelf op een positieve manier zou kunnen vergeten dankzij een baby. Hoe dan ook is het mijn plicht mezelf te vinden.  

Er zit niets anders op dan thuis te zitten haken en aan mijn dood baby’tje te denken.  

Het is stom, maar telkens als ik alleen achterblijf met mijn gedachten, bereiken ze hetzelfde punt, het feit dat ik een moeder was en dat niet meer ben. 

Ik droom dat mijn baby’tje weer tot leven is gewekt, het heeft slechts kou geleden en we hebben het warm gewreven voor het vuur, en het is blijven leven. Ik word wakker en vind de baby niet. Ik moet de hele dag aan het nietige ding denken. Mijn moreel is niet goed. 

*

Laat u zich bij het schrijven door uw dromen dicteren?  

 

Droom van de telepathische medusen.  

Elke ochtend ga ik naar het strand. 
Een bruine zwemster komt en gaat, komt en gaat. 

Om dit strand te bereiken moet je honderdnegenenzeventig treden aflopen. De zwemster klimt de trap weer op. Ze is overal bruin, vanaf haar donkere haar, haar reusachtige zwarte ogen, haar fijne, gespierde armen. In haar hals zit het brandmerk van de vampier. Ze strekt haar door de elektrische lading getekende armen. De slijmerige medusa, wier lichtgevende zwemklok fonkelt in de diepzee, bespeurt haar vijand vanaf grote afstand. 
Ik vraag haar: 

Waarom is Medusa de enige van haar zussen die slangen heeft in haar haar? 

Wil je dat weten? Luister naar mijn antwoord. 
Wijd en zijd bekent om haar schoonheid vertegenwoordigt Medusa de hoop zelf. 
De hoop van wie? 
Van mannen, van stropers, van leiders. 

Wat hen in Medusa aantrekt, is haar haar. 
De meester van de zee grijpt het vast! Hij verkracht haar. 
De verkrachting mag niet ongestraft blijven. 
Daarom verandert het haar van Medusa in de slangen van de schande. 
Wiens schande? 

De bruine zwemster zwijgt, en verdwijnt. 

 

*

Ik heb De Mama voltooid. En terwijl ik vanochtend een vreselijke inspanning deed om uit mijn lethargie te ontwaken en mijn haar te wassen, was ik geschokt toen ik een paar casestudies las waarin sommige van mijn beelden werden bevestigd. Zo bestaat het kind dat van zijn mooie, liefhebbende moeder droomt als heks of dier, en later wordt die moeder gek, ze knort als een varken, blaft als een hond of bromt als een beer. Zo bestaat ook het beeld van de etende moeder, van wie je enkel nog de mond ziet.  

O zusje, moeder, echtgenote, 
De zachte Lethe is mijn leven. 
De echtgenote een poppetje 
Vier baby’s en een cocker. 
Nooit, nooit, nee nooit keer ik terug naar huis.  

*

Toen ik Gaslighting of de kunst om de vrouw het zwijgen op te leggen schreef, was ik Sylvia Plath vergeten. 
Ik was haar beschrijvingen in De glazen stolp vergeten van het akelige, claustrofobische decor waar de witte Perfecte Huisvrouw doodgaat van verveling.

‘Zodra ik uit de gekoelde coupé op het perron stapte, werd ik omhuld door de moederlijke adem van de voorstad. Alles werd bedekt door de dodelijk kalmerende hand van een zomerse rust.'

Ik was vergeten hoe ze, voordat ze een lijk werd, de lijkwording had in haar dagboek beschreven – van de echtgenote, van de schrijfster, van elke vrouw.  

‘Een lijk tussen mezelf en elke kans om te werken. Ik snak naar een leven vol conflicten, met een juiste balans tussen kinderen, sonnetten, liefde en de vuile vaat. Ik heb de energie van het leven nodig. Niet al die sprookjes.’ 

Ik was vergeten dat Blauwbaard en Ted Hughes, Sylvia’s man, twee kampioenen gaslighting waren: ze sloten hun dode vrouwen thuis op, maar deden alsof ze hun de sleutel gaven. 

‘Alsjeblieft, zorg ervoor dat hij komt, en geef me de wilskracht die ervoor zorgt dat hij me respecteert en belangstelling voor me heeft, geef me de moed om hem niet opdringerig of met luid, hysterisch geschreeuw om de hals te vliegen – maar rustig, zachtjes, kalm aan! Wellicht zit hij te pronken op een gazon achter de universiteitsgebouwen, te midden van de krokussen en zeven Scandinavische minnaressen. En hier zit ik dan, thuis, als een spin, en wacht.’

Ik was haar verscheurende strijd tegen de verinnerlijkte gaslighting vergeten. 

‘Cruciaal is mijn verlangen om gemanipuleerd te worden. Waar komt het vandaan, en hoe kan ik het overwinnen?’

Waar komt het vandaan? Het kan me niet schelen. 
 
Hoe kan ik het overwinnen? Door zinnen uit te schreien. Schreien met: is het niet ironisch dat de vrouw in de opvoering van de antieke tragedie pardoes werd uitgesloten? 

‘Ik voel me, ja, ik bén gek zoals een schrijver op een bepaalde manier hoort te zijn – waarom maak ik er dan niet míjn werkelijkheid van? Als ik een man was, kon ik er een roman van maken. Waarom kan ik, als vrouw, niet anders dan huilen en versteend zijn, huilen, versteend zijn?'

Hoe kunnen we het overwinnen? Door aan zelfverwekking te doen! 
 
De rode, plakkerige placenta, waardoor een meisje verandert in de doublure van haar moeder, transformeert haar ook in sociaal monster: een schrijfster! De schrijfster is een zelfverwekt meisje. Met Hélène Cixous slikt de schrijfster haar angst en haar schande in, ze kijkt Medusa recht in de ogen: Medusa is mooi, en ze lacht. 

Over onze wieg van zelfverwekte schrijfsters heeft een fee zich gebogen. De petemoei-fee wast de vieze schande weg waarmee Papa/Mama ons haar smerig heeft gemaakt. 

‘Vorige nacht, schrijft nog Sylvia Plath in 1954 in haar dagboek, is Marilyn Monroe in mijn droom verschenen, als een fee, een soort petemoei. Ze heeft me een deskundige manicure gegeven. Ik had mijn haar niet gewassen, en ik ondervroeg haar over kappers, ik zei dat, bij wie ik ook ging, ze er altijd in slaagden me met een afzichtelijk kapsel op te zadelen. Ze nodigde me uit om de kerstvakantie bij haar door te brengen en beloofde me een nieuw, opengebloeid leven.'

 

Vertaald door Katelijne De Vuyst

De Franse auteur Hélène Frappat (1969) is afgestudeerd in filosofie en gepassioneerd door cinema. Ze is romanschrijver, filmrecensent en vertaler. Ze heeft ervoor gekozen om de ‘waarheid’ te zoeken in fictie. Ze publiceerde bij Actes Sud zeven romans. Na zich te hebben gewijd aan filmmakers als Jacques Rivette, Roberto Rossellini en acteur Toni Servillo, publiceerde ze in 2023 Le Gaslighting, ou l’art de faire taire les femmes. 

foto hélène frappat © celine nieszawer

Hélène Frappat
08.05.2026