De slimste mens op Facebook (drie fragmenten)

Aboud Saeed
21.11.2018
Fill 2 Created with Sketch. Auteurstekst
0B17D4C1 45A1 40Fb Ab88 82F1009Cf449

De Syrische schrijver-arbeider Aboud Saeed woont en werkt sinds enige jaren in Berlijn. Hij werd beroemd dankzij zijn grimmige, vaak verhalende Facebookteksten over de oorlog in zijn land en de vlucht naar Europa. Een selectie hieruit werd uit het Arabisch vertaald en gebundeld als The Smartest Guy on Facebook (Duitse editie: Der klügster Mensch im Facebook).

Omdat dit bijzondere boek nog niet in het Nederlands en het Frans beschikbaar is, liet Passa Porta door Lore Baeten alvast drie teksten van Aboud Saeed vertalen uit het Arabisch. Op 5 december kun je Aboud Saeed voor het eerst aan het werk zien in Brussel, tijdens een avond die Passa Porta organiseert met Lagrange Points.


Wie is Aboud Saeed?

Voor wie zich nog steeds afvraagt wie Aboud Saeed is:

Ik ben Aboud Saeed, een inwoner van Manbidj (1), een stad waar meisjes niet op café gaan en geen enkel gebouw meer dan vier verdiepingen telt.

Telkens wanneer ik mijn kleine neefje vroeg om ‘Allah Akbar’ te zeggen, antwoordde hij: ‘Schaam je!!!’

Op school zat ik altijd op de achterste bank, en ik ging alleen maar naar de universiteit om een meisje te leren kennen dat niet gesluierd was en een gsm met bluetooth bezat. Omdat ze haar gsm ‘catwoman’ noemde, noemde ik mijn gsm ‘miauw’, maar dat kon haar niet schelen.

Ik werk als ijzersmid, ik bedoel met een hamer, een aambeeld en een sleutel 13/14.

Ik slaap met zeven broers in dezelfde kamer en ik heb geen kast, dus verstop ik mijn persoonlijke brieven in het kippenhok. Soms legt een kip een ei op de woorden ‘ik hou van je’ en soms schijt er een op het PS op het einde van de brief.

Mijn moeder weet niet hoe ze lasagne moet klaarmaken, en tot vorig jaar dacht ik dat croissants een soort van duur voedsel zijn dat je met vork en mes moet eten.

Elke avond droom ik dat ik Hannibal Lecter ben en dat ik de hersenen van het meisje waar ik van hou krijg voorgeschoteld.

In de bus ga ik altijd zitten op de enige stoel die in de andere richting staat, om mijn buurmeisje te kunnen begluren. Ik heb nog nooit van mijn leven een gewoon vliegtuig gezien, alleen gevechtsvliegtuigen. Ik steel elektriciteit van de dichtstbijzijnde elektriciteitspaal en een bourgeois meisje betaalt mijn internetrekeningen.

De jongens uit mijn buurt lachen me uit met de moedervlek op mijn voorhoofd.

Mijn grote broer gelooft niet dat ik een dichter ben, terwijl mijn neefjes en nichtjes, als ze wisten dat ik een dichter was, drummend op potten en pannen achter me aan zouden lopen.

Ik heb een potlood waarmee ik soms iets neerkrabbel, en dat ik slijp met een mes. Ik heb nog een andere pen, een blauwe balpen, die ik als geschenk heb gekregen, en die in de borstzak van mijn hemd is uitgelopen.

Op bruiloften ga ik steeds dicht bij de zanger zitten. Tijdens rouwceremonies ben ik degene die de bittere koffie serveert. En op café zit ik steeds aan de tafel van de outlaws. Ik ben Aboud Saeed, ik aai over de nek van het beest dat in mij leeft opdat het als een blinde wolf kan opstaan.

(uit De slimste mens op Facebook)
1024Px French Support Bouazizi

De Europese droom

Ik heb er altijd van gedroomd om in Europa te wonen. Ik gaf er niet om in welk land, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Australië of Amerika... Maakt niet uit! Voor mij is dat allemaal Europa! Europa, waar geluk, opwinding en plezier te vinden zijn.

Ik groeide op, en zo ook mijn droom. Hij nam enorme proporties aan, vooral nadat mijn vader een satelliet had geïnstalleerd die meer dan vierhonderd buitenlandse en Arabische zenders kon ontvangen.

Ik begon op televisie naar het leven van buitenlanders te kijken en dat maakte me verdrietig. Ik zapte van de ene buitenlandse zender naar de andere en keek toe. Ik zag jonge mannen en vrouwen dansen bij het concert van Michael Jackson, en zei tegen mezelf: ‘Ik moet daar zijn, in Europa, samen met al die gelukkige mensen!’ Ik weet niet waarom het mijn lot was om hier te zijn, in deze ellendige streek, meer nog, in het treurigste land en het treurigste gezin, een gezin dat dag en nacht naar Yas Khidr (2) luistert.

Ik zapte van de ene zender naar de andere, keek films en zag hoe een mooie blonde jonge vrouw verliefd werd op een Afrikaanse jongeman en de hele wereld voor hem afreisde. Toen begon ik mezelf te beklagen: ‘Dat is pas een volk dat begrijpt wat schoonheid is! Ik moet daar in Europa zijn, ik ben uniek, zoals mij zijn er niet veel!’ Vooral nadat ik van veel mensen gehoord had dat wij, getaande kerels, begeerd zijn in Europa, begon ik te dromen van een blonde heldin, die voor mij de wereld zou afreizen. Ik werd vijfentwintig en mijn broer beval me nog steeds om voor hem sigaretten te gaan kopen. En terwijl ik dan een pakje ging kopen, beklaagde ik mezelf:

Als ik in Europa woonde, was ik al tien jaar onafhankelijk geweest, en hoefde ik voor niemand sigaretten te gaan kopen.

Ik zou mijn individualiteit en onafhankelijkheid ten volle beleven en mijn talenten uitbuiten en de buitenlanders zouden die talenten waarderen.’

Ik heb er altijd van gedroomd om in Europa te wonen, maar ik heb die droom nooit proberen waar te maken, ik droomde alleen terwijl ik televisiekeek.

Tot Bouazizi (3) mijn droom voor mij waarmaakte.

Nu ben ik in Berlijn, het land van de dromen! Ik kocht een satelliet die meer dan vierhonderd Arabische zenders ontvangt, ik zap van de ene Arabische zender naar de andere, ik beklaag mezelf en ik luister dag en nacht naar Yas Khidr, die zingt: ‘Wij zijn gehavend, en de wonden die wij hebben, volstaan. Bij God en leven, wanneer komt er een einde aan?

(nieuwe tekst)

Jihad

In Berlijn, in Café Kotti, zit mijn vriend Jihad alleen aan een tafel. Hij drinkt bier en rookt gerolde sigaretten. Hij kijkt naar alle tafels en glimlacht naar iedereen die komt en gaat. Hij bestelt de ene pint na de andere en voor elke pint betaalt hij 5 euro, 2,5 euro voor de pint en 2,5 euro voor de serveerster, die onschuldig glimlacht of een idioot gekir laat horen. Dat bleef zo maar duren, tot mijn ogen die van Jihad kruisten, en ik zei:

— Hallo! Ik ben Aboud.

Met zijn mond vlakbij mijn oor fluistert hij, alsof hij een misdaad verbergt:

— Mijn naam is Jihad!

We lachen luid. Hij komt bij mij aan tafel zitten, we drinken samen een pint.

Dan begint hij te vertellen:

‘Meneer Aboud! Mijn vader was voetballer in een club die “Jihad” heette, ongetwijfeld kent u die. Toen ik geboren werd, noemde mijn vader me naar de naam van die club. Ik was nog maar net geboren, een dag of twee, toen mijn vader me die naam gaf. Ik weet bij God niet wat “jihad” betekent en waarom hij me zo genoemd heeft! Maar goed, terwijl ik opgroeide, noemde iedereen mij Jihad, zelfs op school was mijn naam Jihad, en dat was de doodnormaalste zaak van de wereld. Het maakt mij niet uit of ik nu Jihad heet of Youssef, ik bedoel maar: dat is allemaal doodnormaal. Toen gebeurde wat gebeurd is, een revolutie, een burgeroorlog, een oorlog in Syrië, noem het zoals je wil. Dat is mijn probleem niet. Mijn probleem is dat we, zoals je ziet, hier terecht zijn gekomen. Via mensensmokkelaars! Zoals zo velen zijn we met een bootje over de zee gekomen. Ik was de kapitein van ons bootje. We staken de zee over en kwamen in Duitsland terecht. Daar gingen we naar de sociale dienst en gaven ons aan hen over. Niets bijzonders. Ze gaven me papieren en brachten me naar een vluchtelingenkamp.

De assistent van de sociale dienst was een topvent. Hij verwelkomde ons en vroeg me: “Hoe heet jij?” Ik antwoordde: “Jihad”. Niks aan de hand.

Maar toen ik in het kamp aankwam, maakten die vluchtelingen me van alles wijs en zeiden: “Jij heet Jihad?! Denk maar niet dat je ooit van je leven een verblijfsvergunning krijgt! Ze gaan je terugsturen, je zal wel zien!”

Ik begon natuurlijk na te denken over wat ze hadden gezegd. Ik begon op café te gaan, bier te drinken en mensen te leren kennen, gewoon om een goed beeld van mezelf te geven. Ik heet Jihad en ik kom in Berlijn wonen, niets meer, niets minder!

Nu, waar ik ook ga, neem ik een flesje bier mee, zonder me te bezatten, ik blijf in balans, rustig en respectvol, en altijd bewust van hoe de mensen naar mij kijken. Ik ben zelfs naar de rechtbank gegaan met een pint bier in mijn hand voor het geval iemand me vreemd zou bekijken omdat ik Jihad heet. Als dat gebeurde, kon ik zeggen: “Kijk hier, ik heb een pint.”

Alles liep gesmeerd, en serieus, de mensen van de rechtbank waren top. De tolk verzekerde me dat ik een verblijfsvergunning zou krijgen!

Terug in het kamp, brachten die vluchtelingen mijn hoofd opnieuw op hol: “Jij heet Jihad?! En je hoopt nog altijd dat je die verblijfsvergunning krijgt? Alle gruwelen van het terrorisme die in de wereld plaatsvinden, en jij wilt een verblijfsvergunning terwijl je Jihad heet??!!”

Geloof me, Aboud, mijn vriend, toen ik dat allemaal hoorde, zei ik tegen mezelf: ik moet nog meer tonen dat ik ruimdenkend en seculier ben.

Ik begon korte broeken te dragen en liet mijn haar knippen, zodat mijn kapsel ging lijken op dat van Arturo Vidal: geschoren aan de zijkanten en langer bovenop mijn hoofd.

Ik begon met meer zelfvertrouwen op straat te lopen. Ik hing niet meer rond met de mannen van het kamp, want als we dan doodnormaal over straat liepen, dan riep altijd wel een van hen heel luid “Jihad” naar mij. Ik keek dan om me heen en zei: “Niet zo luid, man, noem me op straat niet bij mijn naam. We waren gewoon wat aan het wandelen, moet je dat nu echt verpesten?”

Op een keer maakte ik een wandeling met een Syrische vriend. “Jihad, deze kant uit”, zei hij. En plots dook er een kerel weg die het reclamebord van een pizzeria vasthield. Zo’n bord waarop staat dat een pizza 2 euro kost en een cola 1,5 euro. Ik wist niet of die kerel naar binnen vluchtte omdat hij mijn naam had gehoord, of omdat er iets anders met hem aan de hand was!

Dus, maatje, ik ben dan maar alleen beginnen rondwandelen, en ik heb wat buitenlandse vrienden leren kennen, een paar Duitsers, supermensen. Alles gaat goed, normaal. Sommige vrienden noemen me nu “Jad”.

Maar ik wacht nu al acht maanden en nog steeds heb ik geen verblijfsvergunning. En iedereen in het kamp zegt: “Het duurt nu al acht maanden. Je gaat die verblijfsvergunning niet krijgen. Komaan, je heet Jihad en je wilt een verblijfsvergunning?”

Ik zei tegen de assistente van de sociale dienst dat het nu wel erg lang duurde met die verblijfsvergunning. Een topwijf. Ze ontving me en zei: “Ik zal een brief sturen naar de rechtbank voor meer uitleg. Maar laat ons hopen op het beste. Je zult wel een verblijfsvergunning krijgen. Geen enkel probleem.” Ik ging terug naar het kamp, ik at met mijn vrienden en daarna hebben we gekaart, gewoon, normaal. De tv stond aan, en was daar toch niet een nieuwsbericht over die explosies in Brussel? Terwijl ik keek, dacht ik alleen maar aan die arme burgers, die onschuldigen hebben toch niets misdaan!? Mijn vriend zei: “Nu is het helemaal naar de vaantjes, Jihad! Als er nog één procent hoop was op een verblijfsvergunning, is zelfs die nu vervlogen, na deze gebeurtenissen.

Was het nu echt nodig dat je vader ging voetballen bij Club Jihad? Wat was er mis met Club Hutteen of Club Al-Hurria (‘De Vrijheid’)? Waarom moest hij nu per se bij Club Jihad gaan? Moge God het hem vergeven!

Ik begon te flippen met dat hele verhaal van mijn naam. Ik spaarde twee toelages van de sociale dienst bijeen en heb gaatjes in mijn oren laten schieten, een tattoo laten zetten, en nu zit ik hier bier te drinken, wachtend op mijn verblijfsvergunning. Niet meer dan dat.’

— Op je gezondheid, Jihad, vriend. Maak je maar niet druk. Alles is normaal. Niks aan de hand.

We klonken op zijn verblijfsvergunning.

(nieuwe tekst)

Vertaald uit het Arabisch door Lore Baeten

Met dank aan de auteur en Lagrange Points.

  1. Manbidj is een stad in Noord-Syrië, nabij Aleppo, de Eufraat en de grens met Turkije. Voor de burgeroorlog in Syrië bedroeg het aantal inwoners van de stad ca. 100.000. De bevolking was zeer etnisch divers, met o.a. Arabieren, Koerden en Tsjetsjenen.
  2. Yas (Ilyas) Khidr (1938) is een Irakese zanger die in de jaren zestig opkwam en vooral bekend werd voor zijn nostalgische neoklassieke folkliedjes.
  3. Mohammed Bouazizi was een Tunesische straathandelaar die zich op 17 december 2010 in brand stak als protest tegen het bewind in Tunesië. Deze daad vormde de aanleiding voor de Jasmijnrevolutie die een hele golf aan revoluties in de Arabische wereld met zich meebracht en op haar beurt de Syrische burgeroorlog aanwakkerde.
Aboud Saeed
21.11.2018