Ga verder naar de inhoud

"dit is 'n onnavolgbaar avontuur": zo begin je aan het oeuvre van georges perec

Rokus Hofstede
26.08.2026
min
auteurstekst

De Franse schrijver Georges Perec krijgt dit jaar op 7 oktober in Brussel postuum de Nobele Prijs van Passa Porta, bedoeld voor iemand die de Nobelprijs had moeten krijgen. Zijn oeuvre is speels, avontuurlijk en vooral uitdagend. Rokus Hofstede, die verschillende boeken van Perec vertaalde, leert je de spelregels.

“Schrijven is een spel dat je met z’n tweeën speelt”, was het credo van de Franse schrijver Georges Perec (1936-1982). Maar wat zijn bij hem de spelregels? De Nederlandse literatuurwetenschapster Manet van Montfrans schreef met Georges Perec, een gebruiksaanwijzing een voorbeeldige handleiding voor wie zich wil verdiepen in Perecs virtuoze, veelzijdige werk. Van Montfrans beschrijft hoe Perecs leven werd getekend door de “Histoire avec sa grande Hache” (de “Historie met haar Onthoofdletter”). In zijn werk vormen de thema’s verlies en afwezigheid een rode draad, maar zonder dat hij ooit zwelgt of zelfgenoegzaam klinkt. Zijn biografische tragiek geeft hij versleuteld weer, via hints voor de goede verstaander en getallensymboliek. Maar je kunt hem ook gewoon lezen. Wat hier volgt, is een trip door zijn oeuvre.

Waarom niet beginnen met Tips en wenken..., waarin Perec geen enkel leesteken gebruikt?

Stel u leest op goed geluk een willekeurige titel van Georges Perec een Franse schrijver die u van horen zeggen hebt dan is het van tweeën één ofwel u vindt hem apart ofwel u vindt hem allerprachtigst laten we zeggen om het eenvoudig te houden want je moet het altijd eenvoudig houden dat u hem apart vindt herlees hem dan onmiddellijk want natuurlijk is de helft van wat u hebt gelezen u ontgaan en door scha en schande wijs geworden hebt u geleerd dat de aanhouder wint vindt u hem allerprachtigst lees dan bij de eerste de beste gelegenheid een ander boek van Georges Perec want hij is de speelste schrijver van de Franse letteren en hij heeft geen twee boeken geschreven die op elkaar lijken bovendien is het gros van zijn werk vernederlandst in de niet genoeg te prijzen vertalingen van Edu Borger Guido van de Wiel Kiki Coumans Rokus Hofstede Jan H. Mysjkin leest u vervolgens op goed geluk een willekeurige titel van Michel Houellebecq Marie Darrieussecq Vincent Ravalec dan bent u al haast een kenner check

(Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen, vert. Rokus Hofstede, Arbeiderspers, 2011)

 

Het leven een gebruiksaanwijzing, waarin Perec kamer per kamer een Parijs appartementsgebouw beschrijft

Perecs magnum opus is La vie mode d’emploi (1978), door Edu Borger in het Nederlands vertaald als Het leven een gebruiksaanwijzing. Die uit zijn krachten gegroeide boedelbeschrijving van het pand Rue Simon-Crubellier 11 te Parijs, een kamer per hoofdstuk, is een rijkgeschakeerd, fijnvertakt netwerk van verhalen, door Perec geconstrueerd op basis van zogeheten contraintes, vaste regels om in elk hoofdstuk tweeënveertig uiteenlopende items aan bod te laten komen. Het bizarre is dat die vormdwang helemaal niet in strijd blijkt met de vrijheid van de vertelkunst.

Italo Calvino omschreef in de jaren 80 Het leven een gebruiksaanwijzing als de “laatste grote gebeurtenis in de geschiedenis van de roman”, een encyclopedische ‘hyperroman’ met het leesgenot van een grote romancyclus à la Balzac. Perec was tuk op terminologische precisie, aan vaagheid had hij een broertje dood. Volgens hem zijn hedendaagse schrijvers de kunst van het opsommen vergeten. Het leven een gebruiksaanwijzing is voor die kunst een monumentaal eerherstel, inclusief kelderinventarissen, gevonden voorwerpen, ameublementen, menukaarten, woordenboeklemma’s, dieettabellen, concertprogramma’s. Vijf pagina’s gewijd aan de catalogus van een doe-het-zelfbedrijf krijgen de allure van een prozagedicht, met als terugkerend refrein de regel: “Eén jaar volledige garantie.”

(Het leven een gebruiksaanwijzing, vert. Edu Borger, Arbeiderspers, nieuwe editie 2026)

 

Ruimten rondom, waarin Perec in steeds wijdere kringen de ruimte verkent van een blad papier tot de kosmos

In 1997 vond ik op tafel een briefje van mijn huisgenoot: in mijn afwezigheid had hij telefoon gekregen van De Arbeiderspers, met de vraag of ik tijd en zin had om “Asbestos pas” te vertalen. Het duurde even voor mijn kwartje viel. Espèces d’espaces! Het is Perecs ‘dagboek van een ruimtegebruiker’ uit 1974, verplicht leesvoer voor alle stedenbouwkundigen, architecten en kunstenaars in spe. In 1998 verscheen Ruimten rondom, in 2023 verscheen een vermeerderde uitgave, inclusief kladteksten. Het hoofdstukje ‘Trappen’ luidt als volgt: “We denken niet genoeg aan trappen. / Niets was mooier dan het trappenhuis in de huizen van weleer. Niets is lelijker, kouder, vijandiger, benepener in de flatgebouwen van tegenwoordig. / We zouden moeten leren meer in het trappenhuis te leven. Maar hoe?”

(Ruimten rondom, vert. Rokus Hofstede, Arbeiderspers, nieuwe editie 2023)

 

Tussendoor: een oeuvre met een rookwalm

Er is een foto van Georges Perec waarop hij droevig glimlachend in de camera kijkt, zijn hoofd steunend op zijn rechterhand, een dunne cigarillo geklemd tussen middel- en ringvinger. Die excentrieke peukpositie, die ook bij die andere stugge roker Michel Houellebecq valt te zien, wordt in hoofdstuk 52 van Het leven een gebruiksaanwijzing toegeschreven aan Grégoire Simpson, zelf weer het alter ego van de naamloze antiheld uit Een man die slaapt – een vereenzaamde student die elke ochtend op hetzelfde moment, op dezelfde plek, het zelfklevende strookje papier losmaakt dat zijn dagelijkse pakje Gauloises afsluit en die ernaar streeft elke drie kwartier een sigaret op te steken.

Uit veel van Perecs boeken stijgt tabakswalm op. Vrienden herinnerden zich in een in memoriam hoe hij besmuikt bekende zijn havana’s “zo min mogelijk” te inhaleren. Hij stierf in 1982, op 46-jarige leeftijd, aan longkanker.

 

Ellis Island, waarin Perec het eiland bij het Vrijheidsbeeld ziet als een limbo tussen twee werelden

Het is haast een salontafelboek: Ellis Island, de neerslag van de gelijknamige film die Perec maakte met Robert Bober, is rijkelijk geïllustreerd met oude foto’s van ‘Traneneiland’, het eilandje voor de kust van Manhattan dat de toegangspoort vormde voor Europese migranten naar de VS tussen 1892 en 1954. Zij het dat deze “verhalen over ontheemding en hoop” toch een zekere onrust wekken in de salon. Al was het maar vanwege de oude ansichtkaart van het Vrijheidsbeeld die het omslag siert. In Kafka’s roman Amerika zag diens held Karl Rossmann de opgeheven arm van de vrijheidsgodin als een zwaard. Perec schrijft: “emigrant zijn, misschien was het wel precies dát: een zwaard zien waar / de beeldhouwer naar eer en geweten meende een fakkel uit te beelden / en dan niet echt ongelijk hebben.”

De interviews met migranten, waaruit een deel van het boek bestaat, vormen in Perecs ogen een “potentiële autobiografie”. De hoofdmoot van de tekst bestaat uit een poëtisch essay: licht en lucide, met een ironie die de somberheid in evenwicht houdt. In geen enkel ander geschrift heeft Perec zich zo expliciet verhouden tot zijn Joodse afkomst (‘… een stilte, een afwezigheid, een vraag, / een in vraag gesteld worden, een aarzeling, een onbehagen: / een onbehaaglijke zekerheid, / waarachter zich een andere zekerheid aftekent / die abstract, zwaar en onverdraaglijk is: / de zekerheid dat ik gelabeld ben als Jood, / als Jood en daardoor als slachtoffer, / en dat ik het leven uitsluitend aan het toeval en aan ballingschap dank’).

(Ellis Island, vert. Rokus Hofstede, Arbeiderspers, 2025)

 

’t Manco, waarin Perec het klaarspeelt een roman zonder ‘e’ te schrijven

Perec noemde zich homme de lettres, letterkundige. Nergens komt zijn kundigheid in het hanteren van letters zozeer tot uiting als in La disparition (1969), zijn ‘lipogrammatische’ roman, waarin de meest voorkomende letter in het Frans, de letter ‘e’, ontbreekt. ’t Manco (2009) luidt de titel van de impressionante Nederlandse vertaling van Guido van de Wiel. Een passende titel, inclusief noodgedwongen apostrof, want het ontbreken van de letter ‘e’ is in het Nederlands haast een nog groter manco dan in het Frans. De lezer weze gewaarschuwd: de apostrofjes vallen in de Nederlandse versie als regendruppels over de pagina’s. Maar voorwaar, ’t nattig waagstuk is, qua mindfuck, ’n onnavolgbaar avontuur. Van de Wiel herhaalde bovendien onlangs het kunststuk met zijn vertaling van Les revenentes oftewel De wedergekeerden(2022), een tekst met heel veel e’s – en met heel veel seks.

('t Manco, Arbeiderspers, 2022, en De wedergekeerden, Arbeiderspers, 2022, vert. Guido van de Wiel)

 

Tot slot, speciaal voor jou: Een man die slaapt, geschreven in de jij-vorm

In 1991 werkte jij, Rokus Hofstede, in Brussel aan je eerste romanvertaling, het debuut van de veelbelovende jonge Brusselaar Philippe Blasband, De cendres et de fumées. Via via had je tijdelijk verblijf gevonden in Horta’s Frisonhuis in de Lebeaustraat, vlak bij de Grote Zavel: een bijkeuken op een tussenverdieping, uitziend op blinde muren. Overdag vertaalde je, de avonden bracht je door in de Plattesteen, een brasserie in de benedenstad bevolkt door een gemengd publiek van gepensioneerden en getatoeëerden, ’s nachts las je Het verdriet van België. Volgens Blasband had hij de structuur van zijn roman – de ik-verteller die aan het einde van zijn boek begint te schrijven aan de tekst die de lezer in handen heeft – bij Claus gevonden. Ook kreeg je van hem een andere leestip: Un homme qui dort van Georges Perec. In de Brusselse Bortiergalerij, toen nog een boekenparadijs, duikelde je een pocketeditie op.

Je vond Claus knap, maar Perec was een openbaring. Van hem leerde je een elementaire waarheid, namelijk dat literaire zeggingskracht niet te maken heeft met wat er wordt verteld, maar dat het hoe allesbepalend is. Je herinnert je de beklemming van die jij-vorm, dat persoonlijke voornaamwoord waaraan niet te ontsnappen viel. Je herinnert je het gevoel, al lezend, dat Un homme qui dort – het visioen van een stilgevallen leven – speciaal voor jou was geschreven.

“Nee. Je bent niet meer de naamloze gebieder van de wereld, degene op wie de geschiedenis geen vat had, degene die de regen niet voelde vallen, die de nacht niet zag naderen. Je bent niet meer de man die ongenaakbaar is, doorschijnend, transparant. Je bent bang, je wacht. Je wacht, op de Place Clichy, tot het ophoudt met regenen.”

Een paar jaar later kreeg je de opdracht een vertaling te maken van Un homme qui dort – een nieuwe vertaling, de oude was een lor. Je dacht terug aan je doorwaakte nachten in het Hortahuis. Je prees jezelf gelukkig.

(Een man die slaapt, vert. Rokus Hofstede, Arbeiderspers, 2018)

 

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Standaard der Letteren van 23 juli 2026 en werd hier overgenomen met de toestemming van de auteur en de redactie van de literaire bijlage. Een uitgebreidere versie van dit stuk lees je op Hofhaan.nl, waar nog veel meer over Perec in het Nederlands te lezen valt.

 

illustratie © herr seele
Rokus Hofstede
26.08.2026

Magazine Passa Porta

nieuws

Passa Porta zoekt fans van Georges Perec

Op 7 oktober 2026, daags voor de bekendmaking van de volgende Nobelprijs voor de Literatuur, bekroont het Brusselse literatuurhuis Perec…