Found in Translation: Stéphane Lambert vertaald door Sandra Verhulst

Stéphane Lambert & Sandra Verhulst
05.03.2019
Fill 2 Created with Sketch. Vertaling
Found In Translation Passaporta 2018 © Beniamin Boar 14

Meer dan twintig enthousiaste lezers reageerden op onze oproep om een fragment te vertalen uit de fictieve brief die Stéphane Lambert schreef voor het festivalprogramma Conversaties met denkbeeldige lezers.

Na afloop van de vertaalworkshop o.l.v. literair vertaalster Katelijne De Vuyst, in aanwezigheid van de auteur, maakten vijf deelnemers een nieuwe versie. De vertaling van Sandra Verhulst, die je hieronder kunt vergelijken met de originele tekst, kwam als meest geslaagde uit de bus. Katelijne De Vuyst zal dit fragment verwerken in haar vertaling van de volledige brief voor het Passa Porta Festival. Daar zal Stéphane Lambert voorlezen in gezelschap van collega’s-auteurs Nicolas Ancion, Koen Peeters, Lenny Peeters en Delphine Lecompte. We feliciteren Sandra Verhulst alvast met dit mooie resultaat! (Piet Joostens)

Au jeune lecteur qui m’a écrit (extrait)


Stéphane Lambert

Cher Ami,

Nous ne nous connaissons pas, mais je me permets de t’apostropher ainsi. Aurais-je pu deviner que le temps de devenir l’aîné auquel on se confie arriverait si vite ? J’étais encore en train d’errer et de douter, et brusquement tes dix-huit ans me somment d’assumer ma quarantaine. Te voilà face à la vie, tremblant d’impatience et de peur, dans un monde où il est difficile de discerner s’il est encore permis d’avoir quelque espoir, et tu t’adresses à moi pour te rassurer. Te rends-tu compte que je ne suis qu’une version vieillie des angoisses qui t’habitent ? Sans le vouloir, tu me tends un miroir du passé où je suis bien forcé de constater que je ne suis plus. Les années ont eu raison de ma fièvre, à moins que ce ne soit la noirceur de celles qui s’annoncent qui endigue mon élan à la racine. Mais je ne veux pas t’accabler avec ce goût de mort dont notre quotidien est saturé. Tu as dix-huit ans et tu veux vivre : comment te donnerais-je tort, moi qui ai pris le parti de ne pas me soustraire ?

Tu as dix-huit ans et tu m’écris. Déboussolé, me dis-tu, à l’idée que j’existe. Toi qui, jusqu’à présent, n’avais lu que des écrivains morts, te voilà happé par les mots d’un vivant, qui semblent t’inviter à t’extraire de la solitude où tu te croyais enfermé. J’ai connu le même choc à ton âge en lisant un écrivain qui m’atteignait là où je pensais que ne s’engouffrait que la voix des morts. Mais je n’ai pas eu ton audace de franchir le Styx imaginaire qui s’écoulait entre la littérature et moi, et j’ai laissé Charon emporter sur l’autre rive celui qui m’avait fait me sentir moins seul. La proximité que la lecture avait rendue possible ne se serait-elle pas désagrégée au contact de la personne ? Que peut un écrivain dans sa fragilité d’être ? Ajouter d’autres mots à ses mots ? Encore, et encore, jusqu’à ce qu’entre la vie et lui il n’y ait plus que le fil ténu de la parole ? A nouveau, c’est à toi que je donne raison : tu prends le risque de te manifester, là où j’ai toujours trouvé des excuses à mes désertions.

Je comprends qu’aujourd’hui la nécessité de toucher le réel se fasse plus impérieuse. Jamais dans l’histoire de l’humanité nous n’avons pu entrevoir d’aussi près la fin de notre espèce. Tout dans ce qui arrive est à réinventer. Dans nos vies minuscules d’écrivain, on croit refaçonner le monde avec des textes. En réalité, on se tient juste à l’abri. On peut bien sûr chanter dans le naufrage, mais quand tout chavire mieux vaudrait s’étreindre, non ? C’est étrange comme votre style, m’écris-tu, semble émaner de personne, comme s’il existait par lui-même. Hier j’aurais trouvé cette remarque le plus beau des hommages, mais à présent que le néant se rapproche j’aimerais être davantage qu’une abstraction. Tu vois, il y a tout de même quelqu’un derrière ces lignes impersonnelles qui t’ont fait tant d’effet. Quelqu’un auprès de qui tu es venu chercher des réponses que tu as déjà en toi. Quelqu’un dont tu ne soupçonnais pas qu’il attendait que tu répondes à ses livres.

[…]

© Stéphane Lambert et Passa Porta, 2019

Aan de jonge lezer die me heeft geschreven (fragment)

Vertaling Sandra Verhulst

Lieve vriend,

We kennen elkaar niet, maar ik neem de vrijheid je zo aan te spreken. Had ik kunnen weten dat ik zo snel de oudere zou worden bij wie anderen hun hart komen uitstorten? Ik was zelf nog volop mijn weg aan het zoeken, en ineens dwing jij, een achttienjarige, me om me als een waardige veertiger te gedragen. Daar sta je dan, op de drempel van het leven, trillend van ongeduld en angst, in een wereld waarin niet duidelijk is of je nog enige hoop mag koesteren, en je richt je tot mij om gerust te worden gesteld. Zie je dan niet dat ik gewoon een oudere versie ben van de angst die in jou leeft? Ongewild houd je me een spiegel voor van het verleden, en ik kan alleen maar vaststellen dat ik daar niet meer vertoef. De tijd heeft mijn koorts geblust, tenzij mijn geestdrift de kop wordt ingedrukt door het doembeeld van de jaren die me nog wachten. Maar ik wil je niet belasten met de morbide smaak waarvan ons dagelijkse bestaan is doordrenkt. Je bent achttien en je wilt leven: hoe kan ik je ongelijk geven, ik die er zelf voor heb gekozen nooit de handdoek in de ring te gooien?

Je bent achttien en je schrijft me. Ondersteboven, zeg je, bij de gedachte dat ik besta. Jij, die tot nog toe alleen dode schrijvers had gelezen, wordt nu getroffen door de woorden van iemand die nog in leven is, woorden die je lijken uit te nodigen het isolement te doorbreken, waarin je je opgesloten voelde. Ik heb dezelfde schok ervaren toen ik zo oud was als jij en een schrijver las die me wist te raken op een plek waarvan ik dacht dat alleen de stem van de doden er kon doordringen. Maar ik had niet jouw moed om de denkbeeldige Styx over te steken die tussen de literatuur en mezelf vloeide, en ik liet Charon de persoon door wie ik me minder eenzaam had gevoeld meevoeren naar de andere oever. Zou de band die door het lezen tot stand was gebracht niet zijn verbroken als ik met de auteur zelf in contact was gekomen? Wat kan een schrijver die zich bewust is van zijn onmacht eigenlijk doen? Nog meer woorden aan zijn woorden toevoegen? Opnieuw en opnieuw, tot alleen de dunne draad van de taal overblijft? Alweer moet ik jou gelijk geven: jij steekt je nek uit, terwijl ik mijn eigen vaandelvluchten altijd heb goedgepraat.

Ik snap dat het tegenwoordig belangrijker is dan ooit voeling te houden met de realiteit. Nooit eerder in de geschiedenis van de mensheid hebben we het einde van onze soort zo duidelijk zien naderen. Onze hele toekomst moet worden herzien. In ons nietige schrijversleven denken we dat we de wereld in teksten herscheppen. Maar eigenlijk zetten we onszelf alleen maar uit de wind. We kunnen dan wel zingen terwijl het schip zinkt, als de boel echt kapseist is het beter elkaar te omhelzen, toch? Het is vreemd hoe uw stijl, schrijf je, iets anoniems heeft, alsof hij op zichzelf staat. Vroeger zou ik die opmerking als het mooist denkbare compliment hebben opgevat, maar nu het grote niets dichterbij komt, wil ik graag meer zijn dan een abstractie. Zo zie je dat er wel degelijk iemand schuilt achter die onpersoonlijke regels die zo’n diepe indruk op je hebben gemaakt. Iemand bij wie je antwoorden bent komen zoeken, die al in jezelf zitten. Iemand van wie je niet vermoedde dat hij zat te wachten tot je op zijn boeken zou reageren.

[…]

© Sandra Verhulst, Stéphane Lambert en Passa Porta, 2019

foto © beniamin boar
Stéphane Lambert & Sandra Verhulst
05.03.2019