Ga verder naar de inhoud

Groeten uit de grenszone

Sofie Verraest
21.06.2023
min
auteurstekst

De eerste taalgrens

Ik had hem kunnen geruststellen. Ik had kunnen zeggen: ‘Meneer, in alle eerlijkheid, ge moet u geen zorgen maken.’ Vijftienjarige ik, of ongeveer, had hem dat kunnen zeggen, aan de vijftigjarige heer, of daaromtrent. Want het was waar.

Het geheugen is betrouwbaar in die zin dat het ons stelselmatig in de steek laat. Kwam hij uit La Porte Bleue? La Porte Blanche? We nemen aan: de Tina Kiss. ’t Zijn er maar drie van een hele rits die uitgezaaid lagen langs de steenweg die van tegen de Franse grens uit Menen naar Kortrijk trekt: de rue d’amour.

‘Tu dis rien à ma femme, hein,’ had hij gezegd, deze vijftigjarige heer, of daaromtrent, zijn hand nog op zijn riem. Pal onder de ‘KISS’ stond hij naar ’t daglicht te knipperen. De roze deur viel in ’t slot en vijftienjarige ik, of ongeveer, die van de zwemtraining terugfietste, had hem op dat moment kunnen zeggen dat hij zich nergens zorgen over moest maken.

Als dat nu niet juist het probleem was geweest.

Dat hij van over de grens kwam, deze meerwaardezoeker, en dat, mec, zelfs als ik gewild had, oublie.

Ik had zijn vrouw welgeteld twee keer niks kunnen vertellen in ’t Frans.

Et pourtant. Nochtans wist ik van een goed deel werkwoorden of ze met avoir of être waren in de participe passé. Nochtans had ik over l’accord de l’adjectif een bescheiden boekske kunnen opendoen. Nochtans kon ik ‘t hele defilé aan groenten opnoemen wanneer Bob et Bobette vont au marché en had ik geleerd dat tachtig iets raars was, vier keer twintig begot.

Maar een gesprek in ’t Frans, ho maar. Menutje wi.

Et pourtant, zong mijn moeder aan de afwas, zong ze aan de strijk, et pourtant, zong ze aan ’t begin van ’t derde deel van haar leven, que la montagne est belle. Vijftienjarige ik onderging het met geheven wenkbrauwen. MTV bestond al. Ik had minder boodschap aan Jean Ferrat dan, pakweg, Limp Bizkit of Papa Roach. Mec, I came into this world as a reject.

Op dat vlak verschilden mijn moeder en ik. Voor mijn generatie hadden ze de taalgrens een stukske verlegd, tot tegen Amerika. C’est un beau roman, c’est une belle histoire, zong mijn moeder aan de afwas. Cut my life into pieces, antwoordde ik, this is my last resort, en: geefde kji de skeuteldoek.

Wat we dan wel weer gemeen hadden. Nooit hadden wij iets anders met elkaar gesproken dan ons West-Vlaams dialect. Een taal waarvan ons gezegd werd dat het geen taal was. Dat ze nergens voor kon dienen. Dat we ze moesten afleren omdat het een vaatdoek was, geen skeuteldoek, en de rue d’amour waar ik de vijftigjarige man was voorbijgefietst, was geen boane maar een straat, en het was niet van de zwemkom dat ik terugkwam, maar we waren het erover eens, mijn moeder en ik: ‘het zwembad’ bekte niet.

Ik heb het veel later pas begrepen. Dat ik op meer dan één taalgrens opgroeide. Dat mijn West-Vlaams niet alleen op het Frans botste, maar ook op het Engels en het Nederlands, en dat geen van die talen ongeschonden uit de botsing kwam. Dat geen ervan nog helemaal natuurlijk aanvoelde of ‘van mij’ was. Dat ze dus allemaal ‘van mij’ waren.

Als vijftienjarige schreef ik verwoed dagboeken vol. In het Nederlands, omdat ik dacht dat dat zo moest. Maar ik vond ze vreemd, die taal die niemand sprak, en begon per ongeluk ook in het Engels te schrijven. Pas op mijn vierendertigste zou ik Yasemin Yıldız en Gloria Anzaldúa lezen en met hen de merites van meertaligheid in grenszones ontdekken. Tussenin lagen zo’n twee decennia schaamte.

De tweede taalgrens

‘Sofie,’ zei ze, ‘Sofie.’

De enige andere keer dat ik mijn naam met zoveel wanhoop heb horen uitspreken, had ik in mijn broek gekakt.

En ik had het gedicht nog wel zo mooi voorgedragen, ging ze verder, hakkelend.

Ze probeerde nog een laatste ‘Sofie’.

Dan zweeg ze.

Tijd om m’n rugzak van de grond te rapen.

Het jaar was 2004. Eerste jaar universiteit. De Sofie waarvan sprake was in dit levensstadium enthousiast (over de universiteit), depressief (over de rest) en (as a rule) geweldig onzeker. Ze had, misschien als ode aan de taalgrens waarop ze was opgegroeid, beslist om Nederlands en Frans te gaan studeren en had daarvoor West- voor Oost-Vlaanderen verruild. Om het met Belle Pérez te zeggen, die ze in haar laatste Menense zomer nog had zien optreden op de Wieltjesfeesten: Hello, world.

Maar ze zijn voorzichtig aan Belgische universiteiten dat eerste jaar. Ze moeten wel: ze zijn relatief betaalbaar, de Belgische universiteiten, er bestaan studiebeurzen en op een paar uitzonderingen na zijn er geen toegangsexamens.

Dat heet: een brede instroom.

Dat heet: opletten geblazen.

Want er spoelt werkelijk van alles aan.

Ik bijvoorbeeld. Niemand in mijn familie was naar de universiteit geweest. Het leek mij onwaarschijnlijk dat ik zelf ver ging geraken. ’t Ging er bovendien een vaart. Na een paar weken al had ik in Nederlandse Taalvaardigheid te maken met iets wat een ‘taallabo’ heette.

Come on, baby.

Don’t be afraid.

In een daarvoor toegerust lokaal zaten we elk apart achter een vaste computer en maakten audio-opnames van – hello, world – onszelf. Ik fixeerde het scherm achterdochtig, ontweek mijn eigen reflectie, rommelde nog eens door de papieren, herlas het gedicht van begin tot einde, en van begin tot einde, en – ik wreef het handzweet aan mijn dijen. Ik controleerde de headset. Ik kuchte een laatste keer. REC.

Flying colors, bitch. M’n uitspraak was – zo bleek – van het beste. Nu gie. Ze was opgetogen, de praktijkassistent. Leunde achterover. Liet haar stoel losjes op twee poten kantelen. Glimlachte naar iets in de vage verte. ‘t Was warm en zonnig voor de tijd van het jaar. Ze nipte van haar koffie. Omdat op m’n audio-opname verder niet veel aan te merken viel, maakte ze een beetje conversatie, informeerde nietsvermoedend naar m’n achtergrond.

Wat het moment was waarop ik er niet meer onderuit kon.

Ik moest iets zeggen.

Mijn mond opendoen en iets zeggen.

Ik wreef het handzweet aan m’n dijen.

Ik kuchte een laatste keer.

‘Euh… ewel…’

‘t Was het soort lokaal, zo bleek, dat sterk resoneert als een stoel er met een klap op zijn voorste poten landt.

‘Sofie,’ zei ze, ‘Maar Sofie toch.’

Hello, world.

This is me.

Ik kon het niet, Nederlands. In het taallabo had ik gedaan alsof, maar eigenlijk kon ik het niet. Niet als het erop aankwam. Niet in een gesprek. Niet in een land, heb ik later begrepen, waar tot een paar decennia vóór mijn geboorte alles van betekenis nog in het Frans gebeurde, en Nederlands, of Vlaams, alleen daar te vinden was waar status en kapitaal niét waren. Zoiets werkt door.

In zo’n land, ontdekte ik later in het semester, hebben Nederlandstaligen een ‘zondagse-pakmentaliteit’ wat de standaardtaal betreft: ze zijn blij dat ze er een hebben, maar vraag hen niet om er zich goed in te voelen. Te formeel. Te stijf. Ook voor mij. De duur van een gedicht kon ik gerust een beetje hoogdravend zitten doen, maar als ik daarna mezelf moest zijn in een gewoon gesprek – lat mo zitn.

Komt nog bij dat het West-Vlaams legendarisch is in hoe sterk het afwijkt van de standaardtaal, en geassocieerd wordt met een lomp agrarisch verleden waarin alleen de velden gecultiveerd zijn.

Hello, world.

Come and see.

Life should be.

Fun for everyone.

Het BRT-journaal werd tien jaar lang voorafgegaan door ‘Hier spreekt men Nederlands’, een vijfminutenprogramma dat de Vlaamse burger met veel geringschattend optimisme trachtte bij te brengen welke van hun woorden effectief Nederlands waren en hoe ze die dan wel moesten uitspreken. In mijn vroegste onderwijsjaren heette de standaardtaal nog ‘ABN’, met de ‘B’ van ‘beschaafd’. Ik miste niet alleen een taal. Ik miste een stukje beschaving. Standaardnederlands hoorde in een andere wereld thuis, een Beloofd Land, en ik voldeed niet aan de toegangsvoorwaarden. Het was een tweede taalgrens waarop ik opgroeide. Minder geografisch dan de Frans-Nederlandse, maar niet minder reëel.

Won’t you open up the door.

And let me in.

Na een meerjarig tussenbedrijf in Gent, Aix-en-Provence en Sofia ben ik weer op de Belgische taalgrens beland, in de Brusselse Rand deze keer, arena van de laatste grote worstelpartij tussen Frans- en Nederlandstalige belangen. ‘t Is morsig wonen hier, zo tussen de stad en ’t land, in een raadselachtige grenszone waar alles door mekaar loopt en er dikwijls mist hangt en je nooit met zekerheid weet in welke taal je iemand moet aanspreken. Om aan het mysterie toe te voegen vond er in 2010, niet zo ver van waar ik woon, een verdwijning plaats die nooit is opgehelderd. Van de Konijnenberg in Dilbeek verdween tussen 1 en 6 september een spandoek, groot en kwalitatief, deskundig bevestigd, typografisch verzorgd. ‘Hier spreekt men Nederlands,’ stond erop. All caps.

De derde taalgrens

Strak logo. Adres uitgelijnd. Dear Ms Verraest. Komma, nieuwe lijn. We are pleased to inform you herewith officially

—van iets redelijk ongelooflijks. Dat ze mijn verplaatsingskosten zouden vergoeden, maandelijks 1200 euro op mijn rekening zouden storten, onbelast, en ik een halfjaar lang kosteloos een hoekappartement op de tweede verdieping van een kasteel mocht komen betrekken.

Een letterlijk kasteel.

Boven op een letterlijke heuvel.

Aan de rand van een reëel bos.

Dit alles omdat een andere ‘Ms’, Ms Yvonne Adhiambo Owuor, juror for the Textual Sphere: International Literature, mijn roman als beloftevol had geselecteerd en van mening was dat zijn auteur het verdiende om er een maandje of zes op ’t gemakske en tegen betaling aan verder te schrijven in de Akademie Schloss Solitude bij Stuttgart.

Dat waren, no joke, de omstandigheden waarin ik mij hoogdringend begon af te vragen of ik mezelf wel ernstig kon nemen als schrijver.

Ik liet, in m’n hoekappartement op de tweede verdieping, de designerstoel een stukje achteruitrollen.

Ik zag een rode eekhoorn het Zwarte Woud in huppen.

Was ik wel—wat was het woord? Legitiem?

De vraag was niet nieuw. Mijn vader was zonder middelbareschooldiploma het werkleven ingegaan als spoorlegger bij de NMBS. Het eerste huis dat mijn grootvader zich kon herinneren, had geen vloer; het was aangestampte aarde. Boeken of kunst bestonden niet waar ik opgroeide. Om maar te zeggen: ik trok mijn schrijverschap wel vaker in twijfel.

Wél nieuw was de reden. Ms Yvonne Adhiambo Owuor mocht dan wel van mening zijn dat mijn roman-in-wording een schrijfresidentie verdiende, ik was dat ding niettemin in het Engels aan het schrijven, en wat gaf mij eigenlijk het recht? In een vroeg stadium had ik nog geprobeerd om op het Nederlands over te schakelen, mo gin avanse.

Het mag natuurlijk, in het Engels schrijven. Owuor zelf bijvoorbeeld, die mag het. Ze groeide op in Kenia, waar het Engels (dank aan de kolonisator) een officiële taal is, en ging daarna in Engeland en Australië studeren. Maar ik? Een Nederlandstalig kind van twee Nederlandstalige ouders? Dat honderd procent van haar groeipijnen ergens diep in West-Vlaanderen had doorwinterd? Doe mo geweune.

Ik besloot mezelf moed in te lezen. Ik las over andere auteurs die in meerdere talen schreven, of in iets anders dan hun moedertaal. Ik las over Global Englishes, en over de machtsverhoudingen tussen talen. Ik las en bleef lezen, maar de aha-erlebnis liet, de Duitse context ten spijt, op zich wachten.

Dan kwam ze. In de vorm van een herinnering. Gezeten in m’n achttiende-eeuws kasteelraam herinnerde ik mij dat toen ze ons op het Sint-Aloysiuscollege Engels begonnen te leren – in het tweede middelbaar was dat – het voor mij te laat was. Ik kon het al. Ik was dit niet eens vergeten. Ik had het nooit eerder beseft. Engels was voor mij een normaal en dus onzichtbaar deel geweest van opgroeien. Maar een belangrijk deel. Het deel waarin ik dacht mezelf te kunnen zijn, eindelijk thuis te komen.

Moeder. Vader. Broer. Ik zie u liever dan ik kan zeggen. Maar wie zich in zijn feitelijke thuis een vreemde voelt, zoekt het elders. As a rule, hoe minder boeken, hoe meer tv in huis, en dat was waar ik het zocht en vond. Op dat scherm dat bijna altijd stond te flikkeren. In de warme pixels van de fictie. In Full House en Friends en The Fresh Prince of Bel-Air. Daar zocht en vond ik het. In Dawson’s Creek en romcoms. In high-schoolfilms en MTV.

Vlaanderen werd op dat moment overspoeld door Amerikaanse tv en hoe gretiger ik keek, hoe meer al die programma’s in elkaar over begonnen te lopen. Hoe meer ze aaneenregen tot een magisch universum waarin ik maar al te graag verdween. Het kwam mij minder eenzaam voor dan de wereld die ik kende. Minder angstig. Hartelijker. Gezinnen waren er echt gezinnen. Kerstmis was echt kerstmis. Er werd kalkoen gegeten, Thanksgiving gevierd, Halloween in plaats van Allerheiligen. Er werd lang en druk gepraat over allerlei onderwerpen die bij ons niet aan de orde waren, meestal in middenklassefamilies. Maar bovenal: het was hier niet. Het was Amerika. Niet het land. Niet de plek op de kaart Maar mijn Amerika. Droomland Amerika. Een fictie.

Misschien verschilde ik dan toch niet zo van andere schrijvers die meertalig opgroeiden. Ik was het kind van twee Nederlandstalige ouders, true, maar er was nog een ouder, daar in die sociale woning in Wevelgem. Eén die zachter was en zorgender dan de realiteit ooit kan zijn. Mijn warmste nest was fictie. Mijn derde ouder sprak Engels. Ik was één en al oor.

Ons huis lag tegen de Franse grens, maar andere taalgrenzen zouden uiteindelijk belangrijker worden. Die tussen het West-Vlaams waarmee ik opgroeide en het Nederlands. Die tussen het Nederlands en het Engels. Dat zijn ook de talen waarin ik schrijf en mezelf als schrijver telkens weer vind en verlies, vind en verlies. Een kustlijn onder eb en vloed. Ik heb me er intussen de toestemming voor gegeven. Net omdat het een kwestie is van eb en vloed. Omdat een grens dát juist is. Niet zozeer een scherpe lijn waar tegengestelden op elkaar botsen, maar een samenvloeiingsgebied, een brede grenszone waar schijnbaar tegenstrijdige elementen kunnen vermengen en uit die vermenging iets nieuws kan ontstaan. Iets moois soms. Het zal op palen staan en nooit stil, maar je kan er wel degelijk je huis bouwen.

Ik las uiteindelijk ook Owuor op schrijfresidentie. In The Dragonfly Sea groeit een meisje op te midden van verschillende talen, op het eiland Pate, waar de Indische Oceaan almaar het land omspoelt en in beweging brengt, waar de kustlijn almaar vervaagt, alles almaar vervloeit, en dat is het voornaamste. De roman “omvat meerdere levens, twee continenten, één watermassa en ten minste zes talen, maar” – Shaj Mathew zei het goed – “het is geen persoon, plaats of taal die hem samenhoudt. Het is een zeker oceanisch gevoel […], een gevoel van eenheid met het universum”.

Sofie Verraest
21.06.2023