Lila, de tragedie - Eléonore De Duve
Het thema van de tiende editie van het Passa Porta Festival was “Ghosts”. Daarom vroegen we voor de openingsavond aan vijf schrijvers welke spoken hen achtervolgen. Eduardo Halfon, Merethe Lindstrøm, Éleonore De Duve, Bregje Hofstede en Jón Kalman Stefánsson gingen de uitdaging aan en schreven speciaal voor Passa Porta een nieuwe tekst, die ze op vrijdag 28 maart in de Munt voorlazen. Je kan deze pareltjes hier nalezen.
De tekst is bedoeld om te worden voorgedragen en beluisterd, en er is een koor – net als in het theater – dat de volgende opmerking maakt: eerst is er Lila, en de tekst speelt in het hier en nu, dat met tragedies bezaaid is, waaronder deze, die van Lila, in drie delen.
Eerste deel
Bij vlagen werd de geur van immortellen door de wind aangeblazen, ze ging onder de oleander zitten en plukte zijn stervormige bloemen, niet beseffend hoe giftig die plant is, van je één twee drie, neuriede ze, met haar huid op het grind, ze beroerde de kroonbladeren zonder te blozen. Gelukkig hield ze haar vingers bij zich, ze likte ze niet af maar wie weet, op die leeftijd, onkundig als ze is van bepaalde biologische feitjes en tot alles in staat, vooruit; was ze zich bewust geweest van het gevaar, wat zou ze dan hebben gedaan. Ze telde, één twee drie. Ze haalde gevoelens door elkaar, ze was een beetje verdrietig, en tot hoever telde ze, uren weg van huis, waar het oneindige zich ritueel nestelt, misschien in die bodemloze wind, ver weg, zo ver mogelijk weg te midden van de ingezaaide deeltjes, wat doet dat werkwoord ‘inzaaien’ hier, geen idee, ze is gewoon te klein, vol gretige wil om te groeien, nu nog: te klein.
Ze is, of ze is een ander, getekend door wat zich visueel opdringt. Haalt ze gevoelens door elkaar, zeer in het bijzonder, voelt ze verdriet, telt ze al om vooruit te komen, bloost ze niet, dan net als iedereen.
Ze neuriet en ze rekent, windstootjes op haar haar, ze voorvoelt zoiets, dat het leven en het leven en het leven, tot in het oneindige, krachtig blaast, met rechte neus, nooit ingehouden.
Ze neuriet en ze rekent, windstootjes op haar haar, ze voorvoelt zoiets, dat het leven en het leven en het leven, tot in het oneindige, krachtig blaast, met rechte neus, nooit ingehouden.
Ze heeft intuïties op luchtbasis.
Ze wandelt door de stenige tuin, de mistral stuift dus tegen haar op. Ze zoekt een kom aarde die leeg is; ze leegt een kom aarde. Die zal ze vullen met water, en met de bloemen, et dan is het zaak het brouwsel niet te drinken, op gevaar af. Het gevaar lijkt nabij en boemboem, de polsslag wordt hortend, het vel kipt, maar Lila bijt niet op haar nagels. Ze draagt ze geknipt in fraaie ovalen. De maand draait om de evenwichten. Lila klettert tegen een kei, steeds klettert ze, steeds maakt ze dezelfde, tekstuele beweging. En in één blik komt haar gezicht weer tot rust, het is zorgeloos, en omdat alles vermengd raakt, komt nu het katje achter de houtblokken vandaan, die opgestapeld liggen onder het afdak. Het katje viel tot dan toe samen met de schors, met zijn zachte vacht op het ruwe oppervlak. Hij streelt de enkel van het meisje, hij rolt met zijn kop op het glitterplastic van de waterschoen, bevuild met tuinaarde, weg jij, lispelt ze, tss, ik ben bezig.
Lila trekt haar wenkbrauwen op. Hier is niets grijs, zelfs niet de vergulde stenen, vooral niet de oleanders.
Ze laat de aarden kom links liggen, ze trianguleert. Ze dwaalt tussen de assonerende vragen, ze wil de problemen wassen, daar is water voor nodig, zout, bloemen, en dan boenen, boenen.
Met ‘als-als-als’ haalt Lila zich zorgen op de hals. Is ze verdrietig, dan komt dat doordat ze zich zorgen maakt, waarover eigenlijk.
Alles gaat, alles gaat goed.
Vandaag was het warm. Het schuine licht, het late namiddaglicht verrukt het landschap, de omtrekken ervan, het leven wemelt, de kindertijd zet grote ogen op, overal. Het tafereel is niet onaardig, maar in de hemel lijkt de wind onopgemerkt te blijven. We hoeven niet te begrijpen hoe hier het mos zich onderscheidt van de rots, zich onderscheidt van de bloembedden, Lila kijkt om, hoe hier deze plant zich van die andere onderscheidt, en hoe zijzelf hier, impressionistisch, opgebouwd uit projecties, tss, tss, tss. Voordat de avond valt, maken de cicades veel kabaal. Rustig woon je hier niet.
Vanaf het huis op de heuvel roept een meisje en dan kijkt Lila bergopwaarts, ze draait haar poreuze, tevens tobberige hoofd; ze loopt weg, plet blaadjes, holt, ze plet schelpen uit de oude zee, de zee die vroeger, zegt ze, vroeger, met luide, veranderde stem, die vroeger de zanderige grond bedekte, die de rozemarijnplanten opslokte, het zeelichaam met zijn spiralen, Lila wordt bang, en als en;
daar holt ze in een flits het huis binnen.
Ze heeft expres de voordeur dichtgeslagen, vooral om de wind buiten te houden. Hij deed pijn op den duur, de muren trilden, en uit de geelhouten gang duikt Lila op. Het gele hout weerkaatst, verzacht en stelt gerust. Vanuit architecturaal oogpunt is het huis gunstig geplaatst ten opzichte van de zon, zodat die een binnenzon creëert met zich verstrooiend zonlicht; het stof van de amuletten, op het rekje, blinkt; het persoonlijke universum stroomt over van de opspringende details, stuk voor stuk belangrijk. Je zou niet zonder kunnen leven. En Lila’s waterschoenen, met hun versleten bruin.
Je kunt het spoor van het meiske volgen en de grootmoeder verheft haar ziel; ze ziet Lila die huppelt, hop, één, twee, drie, en dan het herhalen, en haar grootmoeder denkt, Lila-is blij, Lila-maakt-blij, mijn meisje dat danst, huppelt.
Je kunt het spoor van het meiske volgen en de grootmoeder verheft haar ziel; ze ziet Lila die huppelt, hop, één, twee, drie, en dan het herhalen, en haar grootmoeder denkt, Lila-is blij, Lila-maakt-blij, mijn meisje dat danst, huppelt.
Het wiegen achtervolgt Lila, knieën koorts organen.
Volgens het woordenboek betekent huppelen: sprongetjes maken, zich sprongsgewijs verplaatsen, op de wijze van een vogel, met horten en stoten.
En daar voeg ik blijheid aan toe en huppelen betekent grappig vooruitgaan, als een sprinkhaankind, als een kind, voorspoedige blijheid verbeelden.
In een context waarin grootmoeder één, twee kinderen zijn ontvallen, is Lila’s leven opgeweld. Voortaan voegt ze zich toe.
Buiten duwt het katje tegen de bloemen, met zijn klauwen verscheurt hij de sterren, dan gaat hij liggen in de aarden bol, terwijl de cicades verstillen. Sst, slaap maar.
Eerst zingt natuurlijk grootmoeder in de vroege avond slaapliedjes voor haar meisje.
Het koor vraagt zich af: is het eerlijk dat?
Tweede deel
Ze zijn bij elkaar gebleven, in stilte, dat wil zeggen dat elk van hen met haar eigen dingen bezig was. Zie je wel, Lila is groter geworden. Telkens als het zomer is, komt ze haar plaats in het koor weer innemen.
De twee meisjes kijken televisie, yoghurtjes etend, gebakjes dan nectarines, in het donker, hun vingers aflikkend. Grootmoeder reikt een partje aan, dat moet worden ingeslikt zonder dat het sap neerdruipt, zo, je moet het sap voor jezelf houden. Het sap druipt neer op de gouden driehoeken van het parket. Koud is het niet, de maan die draait is helder, grootmoeder en kleindochter hebben een deken op schoot. Een gevoel van vredige rust omhult het hout, de gebaren. Lila daarentegen beseft vanbinnen haar eigen tekortschieten op veel vlakken. Ze is rusteloos.
Goed, maar laten we serieus blijven. Gewaarwordingen, het primaire leven, stof en lichamen, huid die klopt, kinderspel, die bestaan hier al niet meer. Omdat we vooruitlopen op het einde, moeten we het decor uitgummen – afzien van de amuletten. Op het scherm steigeren vooral de actrices, en vanaf de eerste scène loopt de spanning op: overeenkomstig het format moet Antigone stug volharden in haar rol. Het gaat erom dat ze twee broers moet begraven, van wie de ene, tiranniek genoeg, niet begraven mag worden, dus gaat het er voor Antigone om dat ze sterft – dat ze haar eigen graf graaft.
Haar verzet is gedoemd te mislukken.
We moeten ons grootmoeder en kleindochter voorstellen zonder te verorberen vrucht, zonder af te likken vingers, zonder geelhouten stoelen waarop je kan gaan zitten om getuige te zijn van de tragedie.
Het is als weerkerend gezang.
Lila zwicht: ‘Ik heb geen honger meer, bomma.’
In de tragedie vormt de dood-als-noodzakelijk-gevolg de enige uitweg.
De geschiedenis van de mensheid is niets anders dan de geschiedenis van de tragedie.
De geschiedenis van de mensheid is niets anders dan de geschiedenis van de tragedie.
De tekst wordt uit het hoofd opnieuw opgezegd, hij wordt doorgegeven, wat overblijft is de wereld, vol volledig krioelend, en gewelddadig, alleen. De personages voeren een dialoog, ze geven elkaar antwoord, ‘wat, wat, mijn lieveling?’ vraagt grootmoeder terwijl Lila mort.
Voor Kreon betekent stug volharden dat Antigone wettig wordt terechtgesteld als ze haar grote broer begraaft, en voor de nicht, van de weeromstuit, hetzelfde, dat ze nooit meer praat.
In het raderwerk van de tragedie is het passend om te wachten, tiktak, het is een kwestie van tijd.
*Het zou passend zijn om van woorden af te zien*.
Waarschijnlijk hoor je vanuit de hemel van het decor zonder decor het lawaai van de vliegtuigen van de moorddadige optocht, van de maan die wankelt, en de chaos weergalmt want het lawaai verzwaart de snelheid en als de machine op hol slaat dan worden terugkeer naar het verleden, wezenlijke zachtheid: onmogelijkheden.
Antigone is verontwaardigd. Lila stoort zich aan het oude liedje. Tegenover Antigone is ze van plan pal te staan in haar ongeloof.
Zo’n meisje als Antigone, dat verstandig en slim is, nauwkeurig en doortastend in haar verzet, waarom, waarom valt ze, waarom aanvaardt ze dat ze zo ten val wordt gebracht, zijn er dan geen andere bressen waarnaar ze haar handen kan uitstrekken.
Aan de rand van de afgrond, denkt Lila, is het makkelijk doodgaan.
Leven zonder constructie bestaat niet, en toch zou ik de constructie voor vanavond graag hebben beperkt: tot cicades tot buikgeluiden tot bloedbanden, tot Lila tot haar grootmoeder, tot alle personen, en tot de amuletten.
Die nacht, als ze inslaapt, komt Lila terecht in slechte films. Ze heeft buikpijn omdat ze zich zozeer in Antigone heeft vergist.
*
* *
Aanwijzing van het koor: grootmoeders aanstaande overlijden is geen tragedie. Het zat eraan te komen.
Derde deel
We weten niet hoe oud Lila precies is, ze is groter geworden, dat wel, en we weten precies waar de angsten in haar buik vandaan komen, hier ten slotte hoe ze haar eigen maaksel doorkruist.
Het leven wemelt en natuurlijk zijn er graven, amuletten en immortellen, en stenen, cicades, het vergif van de oleanders, en er is wind, de grote persoonlijke wind, de angst in Lila’s buik.
Wanneer je, bij wijze van spreken, op alles let, wordt de angst weleens afgewend.
Kinderen ontbreken, personages ontbreken, daarbuiten, namen gaan verloren. Het gezonde verstand is van de wijs.
In alle omtrekken bestaat er iemand met grote laarzen aan, als een reus, maar dit is geen sprookje, dat weten jullie, de bangbuikige Lila is groter geworden, ze luistert niet meer naar zulke verhalen.
In feite is het decor veranderd.
Lila, en de anderen, liggen uitgestrekt op een zwart verhoog, ze zijn gehuld in het donker. Drie mannen en een vrouw, met zwarte, onzichtbare jassen aan, staan rechtop, houden elkaars hand vast. Ze knijpen in hun handen en heffen hun gezangen aan, en zij, de zangeres, werpt een golvende, priemende fluittoon op en gelukkig overdekken daarna de stemmen elkaar, bevatten elkaar, beantwoorden elkaar zachtjes, komen tot rust, ze vormen een simpele, onmogelijke harmonie.
Ze zingen nu, op het podium, in het holst van de nacht, om ons te laten vergeten. La-la-la, zingen ze, glossolalie van iets wat absoluut is.
Het leven wemelt en om ons heen zijn er de overtollige tirannen; die vormen een lus, waaruit ze weggaan waarin ze terugkeren, met hun weerzinwekkende laarzen aan. De tragedie gaat ons voor en achtervolgt ons en wij rennen eropaf, in het rond, in een tekstuele beweging, de tragedie wacht en wij wachten, Lila leeft met die gewaarwording, met de angst in haar buik.
Straks, tijdens de voorstelling, moeten we onszelf dwingen te glimlachen, een glimlachje dat niet te bruusk overkomt, daar redenen voor vinden.
Met opzet wordt het verhoog, daar waar Lila nu ligt, met een straal beschenen, harde stofdeeltjes worden zichtbaar en op de verstrooide vloer vang je een glimp op van gedaantes die dood lijken, en aangezien de gezangen treurzangen zijn, zullen de gedaantes wel dood zijn.
Maar ze komen overeind, ze zijn nog niet klaar.
Voor deze voorstelling hebben Lila en de groep danseresjes sluiers aangetrokken; en ze golven. Ze mogen dan op lelies lijken, op een mooi, trillend boeket lelies: dat is onbedoeld. Zelfs bij het dansen haal je niet straffeloos huid en bloemblad door elkaar.
Ook onder de toehoorders zouden de mensen elkaars hand moeten vasthouden, zich omdraaien om elkaar aan te kijken en
zingen, samen zingen,
het doek valt, kijk naar jezelf, draai draai je hoofd om
onlangs heb ik deze zin gelezen, hij is van de hand van Marie de Quatrebarbes, die onder meer dichteres is; deze zin dus is van een absolute schoonheid, daarna kan je doodgaan, de zin zegt: ‘Verhef je ziel, rijm, want jij bestaat in ieder ding, zolang je althans rust, met hart en ziel, in andere dingen.’ De teksten van anderen vergezellen me, als spookbeelden van vreugde.
En deze zin wiegt, hij zegt nog eens – ‘Verhef je ziel, rijm, want jij bent in ieder ding, zolang je althans rust, met hart en ziel, in andere dingen.’
Daarna denk ik, baarmoeder je ziel, zandoever het doek, imiteer het dansen van de geschifte bloem, dat is het belangrijkste,
handhaaf de kunsten als schrijn van je vrijheid.
Sinds jaar en dag zijn de tirannen op het podium verschenen.
& vaak danst en huppelt Lila, om de wanhoop te misleiden.
*
* *
Vertaling : Rokus Hofstede.