Ga verder naar de inhoud

Medusa

Ayşegül Savaş
08.05.2026
min
auteurstekst

Enkele maanden voor haar zelfmoord in 1963, schetste de Amerikaanse schrijfster Sylvia Plath een getroubleerd beeld van deze mythologische figuur in Medusa, een gedicht waarover veel is geschreven en dat een van haar meest mysterieuze blijft. We vroegen aan drie auteurs om een antwoord op dit gedicht te schrijven dat tegelijk een persoonlijke en hedendaagse visie op de mythe zou zijn. Hier lees je de tekst van Ayşegül Savaş, Turks-Engelstalige romanschrijfster (The Anthropologists).

Op de derde dag van de reis viel de vrouw me op. Ik was in een eenzelvige stemming aan boord van het schip gegaan: van plan om alle uren van de oceaanoversteek aan mijn werk te besteden. De leegte van de horizon vond ik fijn, de anonimiteit van de golven – die leidden niet af en stelden me juist in staat de aandacht naar binnen te richten. 

Ik verliet nauwelijks mijn hut, op de keren na dat ik ’s middags aan dek kwam om te rusten en naar het monotone landschap te kijken. Aan een tafeltje, helemaal achter in de eetzaal, nuttigde ik mijn maaltijden in een fiks tempo. De andere reizigers waren overwegend ouder dan ik – hun oversteek van de Atlantisch Oceaan was een soort sedentaire vakantie die hun desondanks een gevoel van avontuur bezorgde. Ik moet zeggen dat ik het een nogal zielig tijdverdrijf vond. Zelf zou ik nooit aan een dergelijke reis beginnen, zo zonder enig doel, alleen maar om de tijd te doden. Ik had besloten de oversteek te maken om mezelf van de wereld af te snijden, om onbereikbaar te zijn, terwijl ik me op mijn werk concentreerde. Niet dat ik aan land nou zoveel verplichtingen had: ik had geen kind, ik had hooguit een hartelijke relatie met mijn ouder wordende ouders, die ik niet erg vaak zag om redenen waar ik niet lang bij stil stond. 

Ik was in de eetzaal toen de vrouw binnen kwam lopen. De vrouw leek zo sterk op mij dat ik niet eens verbaasd was. Het leek eerder op een thuiskomst. Ik genoot van de gelegenheid mezelf eens van buitenaf te zien, zoals anderen me waarschijnlijk zagen en wat snelle conclusies te trekken over wat voor persoonlijkheid achter een dergelijk uiterlijk schuil moest gaan. De vrouw ging doelgericht en vlot het buffet langs, schepte haar bord vol, al had ze haar aandacht niet echt bij het eten. Langzaam, onwillekeurig bijna, stond ik op van het tafeltje, waar ik was gaan zitten, en liep naar het buffet. Ik werd tot de vrouw aangetrokken, ik werd aangetrokken tot dit evenbeeld van mezelf. Ik moest wel naar haar blijven kijken en ik probeerde met mijn blik in haar door te dringen. 

Ik bleef even om me heen staan kijken en pakte toen een ander bord. Ik wilde er wat fruit op leggen, om mezelf iets te doen te geven. Net op dat moment kwamde vrouw terug en pakte tot mijn verbazing een nieuw bord dat ze net zoals de eerste keer begon vol te scheppen. Toen ze bij het einde van het buffet was aangekomen, waar ik stond,  keek ze me even aan omdat ze erlangs wou en glimlachte. Ik kan niet zeggen dat ik iets van herkenning bij haar bespeurde. In ieder geval niet op de manier die ik had verwacht, al had ze een warme, uitnodigende uitdrukking op haar gezicht. 

Sorry, zei ze. En voegde eraan toe dat het eten die avond verrukkelijk was. 

Ik stemde daarmee in, al had ik er niet echt op gelet. Even dacht ik dat ze me bij zich aan tafel uit zou nodigen, maar ze wenste me gewoon smakelijk eten en liep weg. 

De daaropvolgende dag ging ik eerder dan anders aan dek. Ik had niet goed geslapen en daar had mijn werk onder geleden. Ik was afgeleid, ik voelde me duf. Ik had lang in bed gelegen, zonder echt goed uit te rusten. Buiten keek ik om me heen of ik een teken van de vrouw zag, maar de enige passagiers waren oudere mensen met hun hoedjes en zonnebrillen, van wie sommige ingedut waren. Ik nam een stoel naast hen, en besloot dat ik de uren tot de lunch zou verlummelen. 

Na een tijdje verscheen ze en ging aan de reling staan om van het uitzicht te genieten. Ze had me niet gezien. Ik keek net zo naar haar als de vorige avond en nam haar eenzame gestalte in me op. Ik verbaasde me over de melancholieke indruk die ze maakte, wat ik in eerste instantie aan haar mysterieuze uitstraling had toegeschreven. Na een tijdje stond ik op en voegde me bij haar. 

Hallo. 

Ah! Ze schrok op. Hoe gaat het met u? 

Deze keer verscheen er wel iets van herkenning op haar gezicht maar die verdween ook weer. 

Een slome dag, zeg ik. Ik kon me nergens op concentreren. 

Reist u alleen? vroeg ze. Ik besefte dat ik niet tegen haar had gezegd dat ik aan boord was om te werken, al had ik het gevoel dat ze dit allemaal al wist. 

Ik knikte. En u? 

O nee, zei ze. Nee, ik ben hier met mijn moeder. 

Er klonk iets in haar stem door dat aan diep verdriet deed denken. Ik dacht dat haar moeder misschien ziek was. Ik kreeg het gevoel dat dit een laatste reis of zo was, een soort afscheid. 

We keken uit over de oceaan, en toen omlaag naar de stalen romp van het schip, terwijl onze armen op de reling rustten. Die dag hadden we allebei een zwarte trui aan. 

Wat aardig, zei ik. Om de een of andere reden was ik van streek geraakt door het feit dat de vrouw met haar moeder reisde, alsof het een veroordeling inhield van mijn eigen situatie. Dat was natuurlijk irrationeel, en ik probeerde vergeefs te voorkomen dat het gevoel dat vanuit mijn diepste innerlijk opborrelde de overhand zou krijgen. 

Het moet heerlijk zijn, zo als moeder en dochter samen tijd door te brengen, probeerde ik. 

De vrouw keek me wat spottend aan. 

Het is bijna tijd voor de lunch, zei ze. Mijn moeder wacht op me. 

We liepen samen naar de eetzaal die al vol zat met mensen, al was het buffet nog niet geopend. Alle passagiers verheugden zich op de maaltijden, waardoor ik opnieuw dacht dat de lange reis gewoon een manier was om de tijd te doden. Om de een of andere reden moest ik ineens eraan denken dat mijn moeder, op nog vrij jonge leeftijd, al haar jurken en jassen had weggegeven, inclusief haar schoenen en tassen. Ze had ze niet meer nodig, zei ze. Alleen wat praktische dingen was genoeg. Het was alsof ze niet langer wilde dat men naar haar keek, ze wilde niet meer gezien worden. Die beslissing van mijn moeder had me metafschuw vervuld. Het leek wel alsof ze haar eigen aanstaande dood aankondigde. Maar ik had er niet tegen geprotesteerd omdat ik niet had geweten wat ik moest zeggen. Misschien had ik mezelf wijsgemaakt dat mijn zwijgen een teken van respect was, een erkenning van mijn moeders autonomie, maar nu bedachtik ineens dat het ook mogelijk was dat mijn moeder me dit had verteld om een reactie uit te lokken. Zodat ik zou zeggen dat ze nog steeds jong was, dat ze eens wat vaker uit moest gaan. Of zodat ik haar eens uit zou nodigen voor het eten, een uitje, een vakantie zelfs. Het was niet ondenkbaar dat mijn moeder alles had weggegooid om gezien te worden, dat wil zeggen, om gezien te worden door mij. Terwijl ik juist lang geleden had besloten dat ik me van haar af zou keren, dat ik anders zou zijn. 

 

Ik realiseerde me dat de vrouw weggeslenterd was, ongetwijfeld op zoek naar haar moeder. Ik stond nog een tijdje te kijken of ik haar ergens zag. Ineens voelde ik een hand op mijn arm, voelde  ik vingers zich in mijn vlees boren. Een oude vrouw was struikelend naast me opgedoken en probeerde haar evenwicht te hervinden. 

Natuurlijk wist ik meteen wie ze was. 

Ik dacht dat je terug naar de kamer zou komen, zei de oude vrouw timide. 

Ik zei dat ze me moest verwarren met iemand anders en merkte de gedesoriënteerde blik op haar gezicht op zodra ze mijn stem hoorde. 

Oh, het spijt me vreselijk, zei ze, al liet ze mijn arm niet los. Ik dacht even dat je mijn dochter was. 

Ik begeleidde haar naar een tafeltje. Toen ik haar op haar stoel hielp, zag ik haar dochter naar ons toe komen rennen. 

U bent erg aardig, zei ze verontschuldigend tegen me. Dat had u niet hoeven doen. Ze wierp haar moeder een ijskoude blik toe. 

Ik was je overal aan het zoeken, zei de moeder tegen haar. 

Uit die korte uitwisseling – de blik op het gezicht van de dochter en de smeekbede van de moeder – maakte ik op dat dit niet het soort vakantie was dat ik me had voorgesteld. Dat de oude vrouw niet ziek of stervende, maar gewoon hulpbehoevend was. En ook al had de dochter ermee ingestemd om deze tijd met haar door te brengen, het was duidelijk dat ze dat uit plichtsgevoel had gedaan en verder niets. Haar naar binnen gerichte blik – die ik had aangezien voor eenzaamheid, of mysterie – was pure frustratie, die ze diep, heel diep had weggedrukt, bijna uit het zicht, op de tentakels na die op momenten als deze erin slaagden aan de oppervlakte te komen. 

En misschien was het om deze reden dat de vrouw me opgevallen was, dat ik de treffende gelijkenis had opgemerkt. In haar zelfbeheersing, in de woede die uit haar los dreigde te barsten, had ik mezelf herkend.  

 

Vertaald door Janine van der Kooij

Ayşegül Savaş (1986) groeide op in Turkije en Denemarken. Haar teksten zijn onder meer gepubliceerd in The New Yorker, The Paris Review en The Guardian. Ze studeerde af aan de kunstacademie van San Francisco. Momenteel woont ze in Parijs. Haar romans Lopen op het plafond (2020) en Wit op wit (2022) verschenen in een Nederlandse vertaling bij uitgeverij Kievenaar. The Anthropologists (2024) stond op de lijst van favoriete boeken van Barack Obama toen het in de Verenigde Staten verscheen, en ook de Franse vertaling kreeg veel aandacht bij de “rentrée littéraire” begin dit jaar.

picture ayşegül savaş © maks ovsjanikov

Ayşegül Savaş
08.05.2026