Perec en de drie huizen
Laudatio door de Franstalige Belgische schrijver Philippe Marczewski, bij de uitreiking van de 9de Nobele Prijs van Passa Porta aan Georges Perec in Brussel op 7 oktober 2026.
Vertaling: Rokus Hofstede.
In Ruimten rondom schrijft Georges Perec: ‘Ik hang een schilderij aan de muur. Daarna vergeet ik dat er een muur is. Ik weet niet meer wat er achter die muur zit, ik weet niet meer dat er een muur is, ik weet niet meer dat die muur een muur is.’ Verderop zegt hij: ‘Maar ook het schilderij vergeet ik, ik kijk er niet meer naar, ik weet niet meer hoe ik ernaar moet kijken. Ik heb het schilderij aan de muur gehangen om te vergeten dat er een muur is, maar zodra ik de muur vergeet, vergeet ik ook het schilderij.’
Eén keer per jaar ongeveer hou ik mezelf voor dat ik aan de muren van mijn werkkamer kunstenaarsportretten zou moeten hangen. Dat ik die kamer zou moeten inrichten als een soort portrettengalerij van roemrijke voorgangers – een repertoire van voorbeelden, een curiositeitenkabinet en een soort voor mijn ogen gematerialiseerd superego. Ik zou bijvoorbeeld schrijvers en schrijfsters die ik bewonder in die galerij een plaats geven en me zo onder hun patronaat plaatsen. Elke dag zou ik kunnen voelen hoe ze hun blik op mij gericht houden. Hun monden zouden me de geheimen van de inspiratie souffleren. Ik hoor ze al zeggen: aan het werk, luilak!
Ik denk eraan, maar ik zie er meteen vanaf.
Toegegeven, ik ben nogal traag van begrip. Het duurt lang voordat ik besef dat een oeuvre, de maker of maakster ervan, in mijn bestaan is binnengedrongen en er als kleine huisgod troont.
In de naaste omgeving van mijn bureau zijn er maar drie foto’s van schrijvers, plus een foto van jazzmuzikanten. En toch noem ik die schrijvers nooit wanneer me wordt gevraagd naar mijn lievelingsauteurs of mijn invloeden. Zoals ik ook aan tientallen muzikanten de voorkeur geef, jazzers of niet, boven degene die op de foto staan.
Op de lijst van de jazzmuzikantenfoto staat één van de schrijversfoto’s in evenwicht: het befaamde zwart-witbeeld van Georges Perec, glimlachend, met op zijn schouder een in de lens starende zwarte kat.
Van die foto heb ik drie exemplaren gehad.
Het eerste exemplaar had ik uitgeknipt toen ik een jaar of zestien was, ik meen uit een oud nummer van Le Magazine littéraire, vervolgens op een kaart van bristolpapier geplakt en met een punaise op de muur geprikt, eerst in mijn slaapkamer bij mijn ouders, daarna in het halletje van mijn eerste flat, op de zolderverdieping van een huis aan de Quai Van Beneden in Luik, met het lachwekkende doel om mijn jonge, onafhankelijke bestaan een literair en intellectueel vernisje te geven en vooral om kracht bij te zetten aan mijn pogingen tot nadere kennismaking met de buurvrouw op de gang, die letteren studeerde. En overigens ben ook ik dol op katten. Die foto is bij het verhuizen verdwenen, samen met twee 33 toerenplaten waaraan ik erg gehecht was, toen ik die plek verliet, zonder enig noemenswaardig effect te hebben gehad op mijn verleidingskracht.
Een paar jaar later kocht ik, in de Rue Campagne Première in Parijs, in een kunstgalerie die atelierinboedels opruimde, voor een luttel bedrag een mooie afdruk van die foto. Ik lijstte hem in en hing hem aan de muur van mijn werkkamer in het huis waar ik toen woonde. Hij is er twee jaar blijven hangen, totdat hij ten prooi viel aan een lekkage uit het bouwvallige dak erboven en werd bedolven door een stuk muur en enkele tientallen liter modderachtig, van rotte bladeren vergeven gootwater.
Vervolgens heb ik dat beeld meer dan twintig jaar lang niet meer in mijn bezit gehad.
Voordat ik kom te spreken over het derde exemplaar van die foto, voel ik dat ik moet terugkomen op wat ik zojuist heb gezegd: onder mijn lievelingsschrijvers of mijn invloeden noem ik haast nooit Georges Perec.
Perec las ik voor het eerst op de middelbare school, verplicht, zoals maar al te vaak het geval is. Hij werd aan ons voorgesteld als een soort gekke geleerde, een die in de verte op professor Zonnebloem leek. Hij stond op het programma om het principe van de vormdwang, het schrijven met contraintes te illustreren – het ging over literaire spelletjes, de verbanden tussen literatuur en wiskunde, de Oulipo enzovoorts. We moesten een poging doen om verschillende door hem ontworpen kruiswoordraadsels op te lossen. Wat we kortom van Perec te zien hadden gekregen was maar uiterlijke schijn, een masker, om niet te zeggen een knullig wassen beeld. Nu moet ik toegeven – neemt u het mij niet kwalijk – dat ik nooit erg geboeid ben geweest door dwingende schrijfregels, spelletjes, mathematische constructies waaraan het schrijven van teksten zou moeten beantwoorden. Meestal begrijp ik er niets van, en als ik ondanks alles probeer me aan regels en contraintes te houden, treed ik ze tot op de dag van vandaag binnen de kortste keren met voeten. Ik ben altijd vreselijk slecht geweest in het oplossen van kruiswoordraadsels, een bezigheid die ik voor het laatst heb beoefend in een grijs verleden, en waartoe ik me enkel had gezet omdat ik me stierlijk verveelde, tijdens een regenachtige herfstvakantie aan de Noordzeekust, in een appartement met een oubollig beige interieur, zonder dat ik overigens ook maar één puzzel tot een goed einde heb weten te brengen.
Een familielid spoorde me een paar jaar later aan om de boeken van Georges Perec te lezen, want hij beweerde dat ik, met wat ik op school had geleerd, het wezenlijke had gemist. Het wezenlijke, volgens hem, was het doek, niet de lijst. Las ik Perec beter, anders gezegd als las ik hem zonder de technische arbeid van de vormdwang, van het spel, van de regel of zelfs van de methode de overhand te laten krijgen, dan zou ik ontdekken dat er motieven zijn, een vaak onthutsende menselijke materie, die in een terloops zinnetje kon opduiken en die je met een onverwachte emotie aangreep.
Zo heb ik stukje bij beetje de werken van Georges Perec gelezen, terwijl ik me ondertussen toelegde op een wetenschappelijke vervolgstudie – enkele jaren heb ik onderzoek gedaan naar de cognitieve processen die wat wij het menselijk geheugen noemen mogelijk maken.
(Hier las ik een terzijde in. Er is iets heel opmerkelijks bij Perec, namelijk dat alle inspanningen die hij zich getroost om de werking van het geheugen te doorgronden, om herinneringen op te sporen en te reconstrueren, maar dan vooral in de manier waarop zijn teksten zijn vervaardigd – ik denk in het bijzonder aan W of de jeugdherinnering en aan Ik herinner mij, maar bijvoorbeeld ook aan ’t Manco of aan Ik ben geboren – wijzen op een intuïtie van wat intussen in de cognitiewetenschap is ontwikkeld om te conceptualiseren hoe herinneringen worden geconstrueerd, vervormd, kwijtgeraakt of teruggewonnen. Met betrekking tot het geheugen is zijn werk, om methodologische redenen maar ook om wat het erover te zeggen heeft, veel sterker met de cognitiewetenschap verbonden dan met de psychoanalyse, en deze band behoeft, naar mijn idee, nog verdere exploratie.)
Hoe het geheugen plaatsen in zich opneemt, plaatsen als middel om complexe, veelvormige werkelijkheidsmomenten te vatten, plaatsen als toegangspoort tot de herinnering, plaatsen als deur naar een diepe waarheid van de wereld en van de intieme ervaring – dat is waarschijnlijk datgene waarvan ik al lezend het meest onder de indruk ben gekomen. Ik zeg dat a posteriori, met het vertraagde inzicht dat bij de gratie van afstand tot het verleden ontstaat. Want ik heb Perecs boeken weliswaar jarenlang gelezen, ik heb ze weggezet in mijn boekenkast, maar ik heb hem zoals gezegd niet één keer genoemd onder mijn lievelingsschrijvers, zelfs niet als referentie. Alsof zijn werk in mijn leven louter decoratief was geweest. Alsof het zich, wanneer ik zoal in de spiegel keek, in een dode hoek bevond. Er zijn daar vast heel wat goede redenen voor, maar die zijn hier niet interessant. Laten we gewoon zeggen dat ik het schilderij vergat en dat ik ook de muur vergat.
Sindsdien heb ik boeken geschreven die, linksom of rechtsom, volledig cirkelen rond de vraag naar plaatsen en naar het geheugen. Ook verzorg ik regelmatig, voor een tijdschrift, een rubriek waarin ik verken hoe heel specifieke plaatsen gestalte krijgen in onze persoonlijke, sociale of politieke verbeelding. In wat ik heb geschreven, is er niet één plek die ik niet zelf heb bezocht, niet zelf heb geobserveerd en geprobeerd uit te persen als een citroen, om er het sap van de herinnering of de verbeelding – dat paradoxaal genoeg bitter en zoet tegelijk is – uit te extraheren.
Toen in 2022 het forse boekdeel Lieux uitkwam bij uitgeverij Le Seuil, was ik gefascineerd door de manier waarop Perec de details van zijn waarnemingen vastlegt en daarbij notities, foto’s, schetsen en uiteenlopende documenten bewaart. Hoe hij lijsten maakt van adressen, of liever gezegd, hoe hij daarvan een objectief en tegelijk subjectief kadaster samenstelt, en ook hoe hij sporen opslaat van de weersomstandigheden, van het licht, van het uur van de dag. Hoe hij erin slaagt, zodra het zijn herinneringen betreft, om het vergeten te vatten maar tegelijk ook datgene wat blijft bestaan, terwijl hij ondertussen zijn gedachten, zijn associaties, de taal zelf hun eigen loop laat volgen. Al doende geeft hij naar mijn gevoel als geen ander het dwalen weer van die innerlijke stem die voortdurend navigeert tussen benaderingen, zekerheden, twijfels, verdwijningen en reminiscenties.
Ik heb Lieux niet in de boekenkast weggezet. Het ligt op mijn werktafel, steeds binnen handbereik. Immens, vol, intimiderend. Ik zou vaak willen dat het mijn werk overstroomt, zoals een rivier een dorre vlakte vruchtbaar maakt.
Ik kom nu toe aan het derde exemplaar van de foto.
In Krakau, in de Kazimierzbuurt, aan de Mostowastraat, is de onafhankelijke uitgeverij Lokator gevestigd, met de gelijknamige boekhandel. Krakau is voor mij een heel belangrijke stad, in mijn herinneringen maar ook in mijn verbeelding, en ik ben geneigd te denken dat wat daar vandaan komt voor mij een buitengewone, haast bovennatuurlijke betekenis heeft. Heel vroeg in het jaar 2024 bladerde ik, bij een bezoek aan Lokator, door hun schitterende uitgaven van de werken van Georges Perec in Poolse vertaling. Bizar genoeg was het de eerste keer dat ik besefte dat zijn ouders afkomstig waren uit Polen. Eigenlijk wist ik dat wel, maar nogmaals, ik was de muur en het schilderij vergeten. Toen ik me een beetje in het onderwerp verdiepte, werd ik getroffen door wat Perec had gezegd over zijn eenmalige bezoek aan Lubartów, de stad waaruit zijn vader afkomstig was, op een paar kilometer van Lublin: er was niets meer te zien, alles was weg, geen sporen meer, niets. Weliswaar is de historische achtergrond verschillend, maar van de geschiedenis van mijn grootouders in Sosnowiec, de mijnstad ten westen van Krakau waaruit ze zijn weggetrokken, rest evenmin vrijwel nog iets. Het is niet makkelijk uit te leggen, maar toen ik Sosnowiec bezocht, voelde ik een duizeling, van fysieke aard, alsof ik aan de rand van een klif stond, of van een afgrond waarvan je de bodem niet kan zien. In Krakau was ik, erg moeizaam weliswaar, aan een romanproject begonnen over dat oorsprongsvacuüm, over de verhouding tot Polen, tot het vergeten van het land en tot wat ervan in het geheugen overblijft. Toen ik door de Poolse Perec-editie bladerde, kreeg ik zin om eenmaal thuis opnieuw in sommige van zijn boeken te duiken, met het gevoel dat ik daarin zou vinden wat me op weg zou helpen. Bij mijn vertrek nam ik een postkaart mee, uitgegeven door Lokator, een reproductie van de foto van de glimlachende Georges Perec met een zwarte kat op zijn schouder. Die foto bevindt zich in mijn blikveld terwijl ik deze regels schrijf. Hij staat in evenwicht op de lijst van de jazzmuzikanten.
Kortom, toen ik weer thuis was, wilde ik in mijn boekenkast Georges Perecs boeken ter hand nemen. Ze stonden er niet – niet één, behalve Les Choses, dat verkeerd was weggezet. Ik dacht dat ze in een doos moesten zitten die ik misschien vergeten was open te doen toen we in dit huis waren komen wonen. Maar hoe hard ik ook zocht, op elke verdieping, in alle kamers, ik vond niets. Ik kan er geen verklaring voor geven. Ik herinner me niet dat ik ze heb uitgeleend. Het lijkt me hoogst onwaarschijnlijk dat iemand ze buiten mijn medeweten zou hebben meegenomen. Ik heb navraag gedaan bij tientallen personen uit mijn omgeving, zonder resultaat. Ik heb niet het geringste spoor, geen enkele aanwijzing over hoe ze zoekgeraakt kunnen zijn. Hoewel ik allerminst geïnteresseerd ben in woordspelletjes en niet dan met de grootste omzichtigheid kijk naar lapsussen en fehlleistungen, heb ik dus in zekere zin mijn eigen versie van La Disparition van Perec aangemaakt.
Ik had me niet gerealiseerd hoezeer ik zijn boeken zou missen. Hoezeer ze, zonder dat ik er erg in had, mijn leven, mijn schrijfverlangen hadden gestructureerd, misschien zelfs de onderwerpen die me bezighouden, maar sterker nog, en u moet me mijn hoogdravende taal maar vergeven, tot aan mijn kijk op het absurde fenomeen van de menselijke conditie. Een paar titels heb ik op de kop kunnen tikken in het tweedehandscircuit en op rommelmarkten. Ook heb ik deze of gene titel opnieuw in de boekhandel aangeschaft. Ik ben er nog lang niet. Beetje bij beetje vergaar ik zo van voren af aan wat verloren is gegaan, alsof het er inmiddels om gaat een nieuwe dimensie toe te voegen aan de strijd tegen de vergetelheid.
Vandaag heb ik langer geleefd dan Georges Perec. Zoals ik al zei, ik ben nogal traag van begrip. Al die jaren heb ik nodig gehad om te snappen dat hij niet alleen een beeld was, een foto aan de muur, met een kat op zijn schouder. Perec heeft ons getoond dat literaire arbeid, literair onderzoek, neerkomt op het speuren naar deuren in het oppervlak van de dingen, deuren die toegang bieden tot de onderliggende structuur van de wereld, van de werkelijkheid, van het intieme leven. Hij heeft ons getoond dat die deuren overal zijn voor wie ze wil zien. Ze zijn op caféterrassen, op een bankje in het park, aan de voet van een boom op het platteland, waar twee paden samenkomen. Ze zijn in elk voorwerp, in elke foto die we nemen of uitknippen uit een tijdschrift om ze op de muur van onze kamer te prikken. En ze zijn in elke beweging van het lichaam van onbekenden of van onze geliefden, en in elke onbenullige seconde van het leven. Achter die deuren is de methode een trap die van oppervlak naar structuur gaat, dwars door een lege ruimte waaraan alleen wij vorm proberen te geven, die noch de structuur noch het oppervlak is, en die het territorium is van de literatuur.
Zo stel ik me weleens voor dat de literatuur die lege ruimte is, die kamer die door Perec in Ruimten rondom is beschreven. Hij legt uit, en ik citeer, dat hij ‘al meermalen heeft geprobeerd [zich] een appartement voor te stellen waarin een nutteloze kamer zou zijn, een volkomen nutteloze, doelbewust nutteloze kamer.’ Mogelijk is de literatuur die volkomen nutteloze kamer, die alleen maar bestaat omdat wij hem hebben gebouwd – en juist omdat wij hem hebben gebouwd, en omdat hij nutteloos is, past alles maar dan ook alles erin. Herinneringen, verwachtingen, dromen. Kortstondige schoonheid, hardnekkige woede, de broosheid van de wereld. Eens te meer geeft Perec daarbij, in de laatste bladzijden van het boek, de gebruiksaanwijzing: ‘Schrijven: pijnlijk nauwgezet proberen iets vast te houden, iets te laten voortbestaan: een paar scherpomlijnde brokstukken aan de groeiende leegte ontrukken, ergens een vore, een spoor, een afdruk of een paar tekens achterlaten.’
Boodschap ontvangen, beste Georges. Boodschap ontvangen.