de andere dieren

Marie Darrieussecq
24.03.2021
Auteurstekst
DARRIEUSSEC Qbirger strahl

Wat houdt auteurs vandaag bezig? Voor het Passa Porta Festival vroegen we aan 7 schrijvers uit binnen- en buitenland om die vraag te beantwoorden met een nieuwe tekst. Zo inspireerden zij ons bij de samenstelling van het festivalprogramma.

De Franse romanschrijfster en psychoanaliste Marie Darrieussecq werd bekend met haar romandebuut Zeugzoenen (1996, Fr. Truismes) en ontving in 2013 de Prix Médicis voor Il faut beaucoup aimer les hommes. In Ons leven in de bossen (2019) onderzocht ze of het voor de mens nog mogelijk is om 'terug naar de natuur' te gaan.

In 'De andere dieren', de tekst die ze speciaal voor het Passa Porta Festival schreef, hier in een vertaling van Katrien Vandenberghe, kondigt Darrieussecq haar volgende boek aan. Pas dormir verschijnt in september 2021 bij uitgeverij P.O.L. Een slapeloze nacht die veel te maken heeft met de huidige en toekomstige milieucrisis...

-

 
‘Sommige mensen kunnen zonder wilde dieren, andere niet.
Aldo Leopold

We hebben nieuwe verhalen nodig. We hebben nieuwe zinnen en een nieuw woordgebruik nodig. Misschien zien we de wereld dan anders. We zouden bijvoorbeeld kunnen schrijven: ‘We leven op deze planeet met de andere dieren.’ De toevoeging ‘andere’ is een ‘stille taalkundige revolutie’, aldus Baptiste Morizot in Manières d’être vivant, ‘een klein adjectief (…) dat genoeg is voor een nieuw beeld waarin zowel een logica van verschil als een gemeenschappelijke eigenheid naar voren komt.’ Hoezeer de mens ook over andere dieren meent te kunnen beschikken alsof het voorwerpen of voedsel zijn, het mensdom is zelf een groep dieren, menselijke dieren. Waarom dan bijvoorbeeld niet schrijven: ‘Sinds 1970 is achtenzestig procent van de andere gewervelde dieren uitgestorven.’ Of: ‘Kunnen we dat wel doen, andere dieren eten?’

In 1751 heeft Daubenton in zijn artikel voor de Encyclopédie van Diderot en d’Alembert moeite om te definiëren wat een dier is. Hij verwijst naar Descartes, voor wie alleen mensen over rede beschikken en dieren te vergelijken zijn met machines. ‘Zij slapen en wij zijn wakker,’ schrijft Daubeton, en dit wakker zijn is dan synoniem met bewust zijn. Daubenton schetst een heel scala van gradaties tussen planten en ‘dieren zoals wij’, een heel continuum van ‘wezens die diep of minder diep in slaap zijn’. Toch stelt hij vast dat ook de mens slaapt en soms zelfs ‘machinaal’ is. Daubeton, die zijn artikel schreef om een classificatie te maken, is in zijn conclusie behoorlijk in verwarring door het ontbreken van een duidelijke grens tussen mens en dier.

De andere dieren hebben trouwens ogen, andere ogen. Open ogen, ogen die kijken. ‘Dieren zijn aanwezig bij de wereld,’ schrijft Jean-Christophe Bailly in Le versant animal. ‘Wij zijn tegelijk met hen aanwezig bij de wereld.’ Toen ik klein was verbaasde het me dat honden zo goed met ons kunnen communiceren. Hoe komt het, vroeg ik me af, dat ze met hun ogen knipperen en wegkijken als we ze iets te nadrukkelijk aankijken?’ Hoe wéten ze dat dat onze ógen zijn? Ze zouden toch, weet ik veel, naar onze neus, onze kin, onze voeten kunnen kijken; maar ze weten ons wel te vinden… En die onverwachte ontmoetingen onderweg, oog in oog met een konijn, een ree, soms een vos, een ogenblik waarop je allebei gegrepen wordt – niet op dezelfde manier, misschien niet symmetrisch, maar toch: twee paar ogen die elkaar aankijken…

Misschien zijn we wel zo graag de ‘wakkeren’ omdat we voelen dat we niet alleen zijn. Er zijn andere, meekijkende ogen. Er zijn andere, reikende handen.

We mogen dan misschien wel wakker zijn, tegelijk brengt een onbestemd gevoel ons in de war: zij zijn er.

Wilde dieren, sterren en dromen hebben iets gemeen: ze bestaan. En ze hebben nog iets gemeen: we doen er alles aan om te vergeten dat ze bestaan. Dromen bestaan in ons. Sterren bestaan boven ons. Wilde dieren bestaan naast ons. Maar we vergeten ze omdat we minder productief zouden zijn als we de realiteit van dromen, de realiteit van sterren en de realiteit van wilde dieren au sérieux zouden nemen. Als we ze niet langer verdrongen (de dromen), opaten (de dieren) en vergaten (de sterren – het feit dat wij rechtop lopende wezens zijn op een middelgrote planeet in een onmetelijk universum dat zonder ons zijn gang gaat). Die drie domeinen (in het wild levende dieren en planten, het onbewuste, de hemellichamen) bestaan op dezelfde manier: zonder ons.

Op het moment dat ik dit opschrijf en de smalle lichtbundel van de Eiffeltoren als het zoeklicht van een vuurtoren over het dak strijkt, verkent ver weg hiervandaan bij de meanderende Congostroom een schubdier zijn hoekje woud. Precies op hetzelfde moment. Tegelijk. In de gelijktijdigheid van deze middelgrote planeet is een schubdier bezig met het ontwikkelen, uitvinden, inventariseren, doorkruisen, omwoelen, uitgraven, ruiken en zien van zijn eigen gebied; ik mag graag denken dat hij het op zijn eigen manier leest en schrijft; daarna rolt hij zich in zijn nest in een bolletje op en droomt.

Elders ziet een doejong voor de kust van een Thais eiland door het water heen de dag aanbreken.

En op de binnenplaats van het pand hier vlakbij decodeert een dwergvleermuis met zijn radar het zigzaggen van een spanrupsvlinder.

Het schubdier is het meest gestroopte dier ter wereld. Het deelt met tijgers en neushoorns de treurige eer om volgens bijgelovige overtuigingen in de Chinese geneeskunde een mannelijk lid dat het laat afweten overeind te krijgen. Bij het schubdier zijn het de schubben die het ’m doen. In 2017 werd op een Chinees vrachtschip twaalf ton schubdierschubben in beslag genomen.

Twaalf ton schubben, hoeveel schubdieren zijn dat?

Op dit moment zijn er op aarde nog zo’n duizend berggorilla’s. Een gorillahand is een trofee, er worden asbakken van gemaakt.

Tweeduizend asbakken.

1280Px A Pangolin In Defensive Posture Horniman Museum London

Ik herinner me een schubdiernest in Campo Ma’an National Park, in het oerwoud in het zuiden van Kameroen, in 2013. Het was een vrij grote lap grond, vakkundig omgewoeld en met twijgjes vermengd. Schubdieren gaan alleen ’s nachts op pad, ze zijn moeilijk te zien, maar helaas makkelijk te strikken. De dag erop hing er een schubdier in het dorp – of het de nestbewoner was weet ik niet. Het dier hing met zijn staart aan de luifel van een hut, te koop, klaar om te roosteren, want in dit dorp was het dier gegeerd om zijn vlees. Ik keek zo geboeid naar het volledig uitgerolde schubdier, dat er als geschubde tape uitzag en bijna net zo lang was als ik, dat de Bagyeli-jager (want je spreekt daar niet van pygmeeën, dat klinkt pejoratief) dacht dat ik het wilde kopen. De glanzende, gladde blote buik, de enorme klauwen, de goedige snuit, die in zijn vertrouwen was beschaamd – de verbeeldingskracht van de Star Wars-bedenkers kan niet tippen aan deze uit het leven gegrepen zoogdiergedaante.

In 2001 zei Henri Nleme, de vertegenwoordiger van de Bagyeli van Campo Ma’an National Park: ‘Weet u waarom er geen dieren meer in het oerwoud zijn? Vertel het me maar als u het weet. Ik weet alleen dat de dieren het oerwoud uit vluchten omdat er mensen zijn die de bomen kappen waar vruchten aan groeien waarmee zij zich in leven houden. Vroeger was er maar één weg naar Campo. Zelf kon ik niet eens naar Campo, er was alleen oerwoud. Er leefden allerlei dieren, olifanten, gorilla’s en een heleboel andere soorten. Nu men het oerwoud is gaan ontginnen, zijn alle bomen verwoest – er is veel lawaai, er wordt met vuurwapens gejaagd en de dieren zijn verdwenen. Nu is het één verlaten gebied. De meeste dieren zijn met geweren gedood. Wijzelf werken alleen met netten, honden en werpspiezen. Nyabisen is het enige gebied waar nog dieren zijn. Op de andere oever van de Ntem mogen we niet jagen. Wat kun je nog vangen als je alleen in de buurt van woningen mag jagen? Ik begrijp niet waarom ons wordt verboden nog te jagen – hoe moeten wij dan overleven?’

Een tijdlang werd gedacht dat het coronavirus via het schubdier op de mens was overgesprongen. De wraak van het schubdier. Onopzettelijk, ijselijk. Op de kraampjes met dieren op de markt van Wu-Han zou een schubdier dat daar niets te zoeken had in contact zijn gekomen met een vleermuis. Een teken des tijds: groteske ontmoetingen, even morbide als ‘het toevallige samentreffen van een naaimachine en een paraplu op een snijtafel’, dixit de Franse dichter Lautréamont, onvolprezen specialist rampdetectie. Virustransmissie van het ene dode dier op het andere, in een soort wrede creativiteit. De pandemie haalt de wilde dieren in het hart van onze lockdown.

Onze handel schept monsters. Door oerwoudkap drijven we ze hun hol uit. Onze dromen eindigen in nachtmerries. Onze ingeslapen rede wordt onze dood.

Betreffende het feit dat dromen echt bestaan – echt maar op een andere manier – begrijpt antropoloog Eduardo Kohn, die zich bezighoudt met het oerwouddenken, door naar de sjamanen van het Amazonische Runavolk te luisteren dat ‘dromen geen commentaar op de wereld zijn, maar binnen de wereld plaatsgrijpen.’ De nachtelijke droomontmoeting van de jager met een huisdier is een voorbereiding op zijn ontmoeting met een wild dier overdag. De overgang van het varken in zijn droom naar het navelzwijn in het oerwoud is metaforisch. Door verwantschap en woordassociatie schuift het ene dier over het andere heen. Droomduiding op de wijze van de Runa en freudiaanse droomduiding liggen niet zo heel ver uit elkaar. Sjamanen volgen natuurlijk boswegen, geen Weense straten. De Runa duiden ook dierendromen. Vooral hondendromen worden serieus genomen. Er bestaat bij de Runa een soortoverstijgende taal en ‘dromen weerspiegelen een in het Amazonegebied wijdverspreide opvatting dat het humane en het niet-humane sociale leven in elkaars verlengde liggen.’ (How Forests Think)

Dit continuüm is echter niet het monopolie van de Runa of van de Bagyeli, volkeren die we makkelijk als ‘anders’ bestempelen. De fluïditeit tussen dieren en onszelf is een thema in onze hele westerse beschaving, maar die kennis werd – een beetje laatdunkend – aan dichters overgelaten. Kijk maar hoe vaak er van gedaante en lichaam wordt gewisseld bij Lautréamont (om nog te zwijgen van Homeros en Ovidius) als dieren voor vol worden aangezien.

‘Onze voorouders namen de gedaante van bepaalde dieren aan om ons op aarde te komen bezoeken en waren dan als stille observators getuige van de fases in ons leven.
Gérard de Nerval

En onze kindervoorleesboekjes staan vol met beren, tijgers en leeuwen. Onze kinderen slapen in met de gedachte aan andere dieren. We brengen ze groot met en tegen de andere dieren. Alsof we ze vanaf hun geboorte duidelijk moeten maken dat wij anders zijn, anders en superieur. We schrijven de andere dieren gedachten en uitspraken toe, maar tutten ze op met onze menselijkheid. We maken er monsters en pluchen beesten van. En we verzwijgen onze kinderen zo lang mogelijk dat hun inslaapvriendjes ‘met uitsterven zijn bedreigd’. Dat er in de toekomst geen tijgers en ijsberen meer zullen zijn. Dat er een slachting wordt aangericht onder olifanten en bijen, maar ook onder hommels en regenwormen en allerhande dieren die in onze sprookjes en onze heraldiek geen plaats hebben en onder de radar van onze flagrantste roofzucht blijven. ‘Met uitsterven bedreigd’, oftewel ‘aan het verdwijnen’, ‘en voie de disparition’, zoals de misleidende, uit de jaren tachtig stammende Franse uitdrukking luidt. We kunnen het veel beter zoals Derrida in zijn laatste seminarie een ‘totale oorlog tegen de dieren’ noemen.

Oorlog is het wel degelijk, oorlog tegen de dieren, oorlog tegen ‘degenen die mogen worden gedood’. Want het gaat niet zozeer om het verschil tussen ons en de andere dieren, maar om het verschil tussen ‘degenen die mogen worden gedood’ en ‘degenen die niet mogen worden gedood’, zoals Donna Haraway stelt in Een cyborg manifest. En die oorlog heeft zo’n massa kadavers opgeleverd dat er momenteel in het wild nog slechts vierduizend tijgers leven en in dierentuinen nog vijfduizend. En nog twintigduizend leeuwen in het wild, waarvan het merendeel in parken.

Kippen zijn de meest voorkomende vogels op aarde. Varkens zijn even vriendelijk als honden. Inktvissen kunnen werktuigen bedienen. Vissen voelen pijn.

Maar het gaat niet alleen om de andere dieren, het gaat om ons allen, om de algemene toekomst van de dieren op deze planeet. En je moet wel erg van de Sixtijnse Kapel en de piramide van Cheops en de sound van Coltrane en de tekeningen van Shitao en de hele literatuur houden om nog van de mens te blijven houden.

Wat zullen we missen als de laatste orang-oetan dood is? Een manier van zijn. Een manier om je tot de bomen, de bodem, de lucht te verhouden. Bijzondere handen: een andere gebarentaal, een ander contact. Een andere lach ook, helemaal niet ‘het eigene van de mens’, maar een normale reactie bij primaten. En een blik.

We zullen ook de uitnodiging missen die van hen uitgaat. Een uitnodiging om ons af te vragen wie zij zijn en dus wie wij zijn. Deze beweging naar hen toe maakt ons rijker. Er ontstaat ruimte in ons.

Met hen zijn we meer. Zonder hen zijn we minder. En naarmate de woestijn groter wordt, neemt ook onze angst toe.

De laatste Tasmaanse Tijger is in 1936 gestorven in de dierentuin van Hobart. Zijn strepen waren het enige tijgerachtige wat hij nog had. Het was een zoogdier dat tot de roofbuideldieren behoorde en op een gedrongen hond leek, met een grote muil en een lang achterwerk. Tasmanië, een schitterend eiland aan het eind van de wereld, waar deze tijger en zijn neef de ‘duivel’ naar genoemd zijn, was ook het toneel van een algehele slachting: er blijft van de Tasmaanse Aboriginals niemand over. De strepen van de Tasmaanse tijger zijn schaduwen van schimmen.

Van de Thylacinus, zoals de wetenschappelijke naam van de Tasmaanse Tijger luidt, resten ons een paar foto’s en een filmpje van dertig seconden. Op de zwart-witbeelden beweegt hij zich een beetje schokkerig, als in Modern Times. Het is een stomme film. Jankt, roept, keft dit dier? We krijgen zijn stemgeluid nooit te horen, de partituur is verloren gegaan. De laatste Tasmaanse Tijger draaide rondjes zoals elk gekooid dier, hij draaide om zichzelf heen voor alle dieren die zijn vermoord. Klappertandend blijft hij ons bij, voor alle dieren waarvan we niet eens weten dat ze er niet meer zijn.

Dit drukkende en tegelijk onbestemde gevoel is het ‘zware gemoed’ waarover Élisabeth de Fontenay het in Le Silence des bêtes heeft. Het is de ‘rouw om een andere soort’ waarover Aldo Leopold het heeft. ‘Verdriet, groot verdriet, rouw om ieder dood Dier, waar geen einde aan komt’, aldus de vertelster van Jaag je ploeg over de botten van de doden van Olga Tokarczuk, de Poolse schrijfster die de Nobelprijs voor Literatuur won.

Het is een buitengewone rouw. Iets in ons stierf aan een ‘gemiste ontmoeting’. En die rouw werd lang geminimaliseerd en geridiculiseerd. Als je het in het begin van de jaren negentig aan de École Normale Supérieure voor de walvissen opnam moest je stevig in je schoenen staan. Als je voor de vogeltjes opkwam mocht je van geen kleintje vervaard zijn. Menselijke relaties hadden absolute voorrang, relaties tussen mensen welteverstaan: de zogeheten economie, cultuur, politiek, justitie, gelijkheid, vrijheid, broederlijkheid. En wie zich zoals wij tegen het eten van andere dieren kantte, vond weinig medestanders en nog minder gehoor. Het wilde er niet in dat bekommernis om de mens geen beletsel vormde voor bekommernis om de niet-mens, en dat planmatige uitroeiing van wilde dieren ook ons als soort aanging. We hadden geen begrippenapparaat en kregen het verwijt over ons heen dat we te gevoelig waren en antropomorf redeneerden.

Maar als dieren mogen worden afgemaakt, mogen uiteindelijk ook mensen worden afgemaakt.

Om mensen te mogen doden hoef je er dan gewoon maar dieren van te maken. Of ‘slaven’. Ideologisch is het dierenstereotype bijzonder efficiënt om de grens tussen wat mag worden gedood en wat niet mag worden gedood en de grens tussen vrij en onvrij op te schuiven. De grote teksten van Isaac B. Singer over het dier zijn in het Frans nog steeds niet vertaald, of slechts zeer ten dele. Hij breekt een lans voor vegetarisme met de stelling dat ‘het slechts een kleine stap is van het doden van dieren naar het bedenken van hitleriaanse gaskamers en staliniaanse concentratiekampen, en dat ten opzichte van dieren ‘alle mensen nazi’s zijn en een eeuwig Treblinka hebben ingericht’. In de jaren tachtig of negentig en zelfs daarna viel een dergelijk betoog nauwelijks te horen, en dat was niet alleen in Frankrijk zo.

In Le Silence des bêtes (1998) waagde Élisabeth de Fontenay het als eerste om een voorzichtige parallel te trekken tussen wat in ons cartesiaanse land geldt als twee dingen van een totaal verschillende orde: menselijk lijden en dierlijk lijden, een slachthuis voor mensen en een slachthuis voor dieren. Sindsdien waren er onder meer de nodige schokkende video’s van de Franse dierenrechtenorganisatie L214; maar het lijkt wel of we het menselijk denken, het menselijke denken dat we boven alle andere denken stellen, per se fors geweld moeten aandoen om ons bewust te kunnen worden van onze dierengemeenschap.

En toch, als we al die andere levens uit ons leven blijven wegsnijden, al die gebarenstijlen en denkvarianten uit de gebaren en het denken van het leven blijven weghalen, dan hebben we binnenkort geen wereld meer. De roemruchte en zo vaak bespotte dodo is niet de enige die door mensenhand is uitgestorven. In ons dierenalfabet ontbreekt sinds 2006 ook de Chinese vlagdolfijn. De oostelijke Irmawallaby, een kleine tweekleurige kangoeroe, is in de jaren 1930 tot de laatste bejaagd. In de jaren veertig onderging de Canarische scholekster hetzelfde lot. De Caribische monniksrob werd in de jaren vijftig uitgeroeid. De Mexicaanse grizzli in de jaren zestig: adios. De bolyeria Round Island boa in de jaren zeventig: over en uit. Ontbreken binnenkort ook op het appel: de noordkaper, de gouden babiroessa, de gangesgaviaal, de Saharaanse cheetah, de amoerluipaard, de rode wolf uit Californië, de wolspinaap uit het noordelijke Amazonegebied, de okapi uit het Ituri-regenwoud, de karetschildpad en zoveel andere unieke, levende vormen.

De dierentuin in onze boeken krimpt, de soundtrack van onze nachten slinkt en met een verwezen blik voor ons uit starend weten we niet meer wat we missen.

Vertaald uit het Frans door Katrien Vandenberghe


Marie Darrieussecq op het Passa Porta Festival

Marie Darrieussecq
24.03.2021