Ga verder naar de inhoud
Startpagina

De kamer - Merethe Lindstrøm

29.03.2025
min
auteurstekst

Het thema van de tiende editie van het Passa Porta Festival was “Ghosts”. Daarom vroegen we voor de openingsavond aan vijf schrijvers welke spoken hen achtervolgen. Eduardo Halfon, Merethe Lindstrøm, Éleonore De Duve, Bregje Hofstede en Jón Kalman Stefánsson gingen de uitdaging aan en schreven speciaal voor Passa Porta een nieuwe tekst, die ze op vrijdag 28 maart in de Munt voorlazen. Je kan deze pareltjes hier nalezen.

Op een vroege herfstdag, een dag dat de lucht de kleur had van de binnenkant van een schelp, ging ik naar de kamer kijken. De huiseigenares was een rijzige vrouw met rood krullend haar die leek op Janet Frame, de Nieuw-Zeelandse schrijfster, bedacht ik later. Ik had de advertentie gezien op het prikbord van de universiteit en had meteen gebeld op basis van de kamerbeschrijving. Nu volgde ik haar het huis in en de trap af naar de kelderverdieping. Het huis was saai op een manier waar ik naar had verlangd, in een rustige buurt, en werd bewoond door wat een doodnormaal gezin leek.

Het huis was saai op een manier waar ik naar had verlangd, in een rustige buurt, en werd bewoond door wat een doodnormaal gezin leek.

De eigenares legde uit dat ze alle drie de kelderkamers wilde verhuren, ik zou dus gezelschap krijgen. Dat stoorde me niet, zolang ik maar een sleutel had en me kon terugtrekken. Toen ze de deur van het slot haalde, rook ik de kelderlucht vermengd met de geur van vers wasgoed uit het washok ernaast. Ik liep wat heen en weer op de twaalf vierkante meter, een ruimte die nu in geen geval meer zou mogen worden verhuurd, en misschien ging juist op dat moment een telefoon of liep ze naar boven om een van haar kinderen binnen te laten, of liep ze om nog een andere reden naar boven. Toen ze terugkwam, vroeg ze of de kamer me beviel. Terwijl ze was weggeweest, had ik mezelf in de kamer zien wonen, heel duidelijk, zoals ik mezelf altijd in een nieuwe kamer zag wonen omdat mijn hele kindertijd niets anders was geweest dan verhuizen en nieuwe woningen. Ik wist hoe een kamer veranderde, als je vertrok was die nooit dezelfde als toen je erin trok. Ofwel betaal je de hele huur, ofwel pas je één keer in de week op mijn kinderen, zei de eigenares. Een paar dagen later nam ik er mijn intrek. Ik had niet veel, ik had een dekbed, wat kleren en de rugzak die ik van een vriend had gekregen. De rugzak was gevuld met boeken, schrijfgerei en een kleine elektronische typemachine met een schermpje, waardoor je zinnen kon corrigeren voor ze op een blad werden afgedrukt. Ik was midden twintig, ik zou gaan studeren na een paar minder stabiele jaren waarin ik in het buitenland had gewoond en had rondgereisd, maar ik gebruikte mijn tijd in de kelder vooral om mijn tweede boek te schrijven. De betonnen vloer was bedekt met een bruingrijs, langharig kamerbreed tapijt, er stond een eenvoudige kookplaat op een kleine koelkast in de hoek, waarop ik popcorn zou maken als ik niets anders te eten had. Ernaast stond een compact, versleten schrijftafeltje met daarboven een boekenplank die al snel vol stond met de boeken die ik had meegebracht. Een bed en een kast. Meer had ik niet nodig. Drie bij vier meter.

Nu en dan woonden er andere meisjes in de kelder, hun naam werd aan hun kamerdeur geplakt en er later weer afgetrokken. ’s Woensdags warmde ik het avondeten op dat de eigenares boven in de keuken had klaargezet, meestal pizza of worstjes, ik zette borden op een rood-wit geruit plastic tafelkleed en at samen met de kinderen. Drie jongens van een jaar of vijf, acht en elf. De twee oudste hadden dezelfde vader, maar de jongste leek op niemand van het gezin, niet op de eigenares noch op zijn broers. Hij had een mooie glimlach en donker haar, terwijl zijn broers blond waren. Zijn vader was de stiefvader van zijn oudere broers. De middelste van de broers, een schattig jongetje met een fijngevoelig gezicht (hij heette niet Jasper, maar ik noem hem zo), stond altijd op de trap te dralen als hij naar bed moest, wat me deed denken aan de nachtangst die ik zelf had gehad toen ik zo oud was als hij. Ik luisterde graag naar wat ze allemaal te vertellen hadden, als ze iets te vertellen hadden. Soms aten we ook gewoon in stilte. Van het huis in die tijd, nog vóór de gebeurtenis, herinner ik me vooral flarden, vaak vage beelden, zoals bij een droom waarvan slechts een deeltje helder genoeg is om het achteraf te kunnen vertellen.

Van het huis in die tijd, nog vóór de gebeurtenis, herinner ik me vooral flarden, vaak vage beelden, zoals bij een droom waarvan slechts een deeltje helder genoeg is om het achteraf te kunnen vertellen.

Ik herinner me dat ik dat jaar een dagboek bijhield, maar dat is verdwenen, verloren gegaan bij een van mijn verhuizingen, of misschien zat het in de kartonnen doos die had staan rotten in een vochtige garage na een jaar met veel regen. Alles was heel gewoon, zoals altijd. Er lagen sporttassen in de gang en er hingen kinderkleren aan haken, er stonden oude meubels en boeken in de woonkamer, vast dezelfde boeken die ook bij de buren en alle andere mensen in de boekenrekken stonden. Nauwelijks een jaar eerder had ik dat banaal gevonden, maar nu vond ik dat fijn. Als ik ’s avonds in mijn bed lag of zat (de enige plek waar ik kon zitten behalve op de harde houten stoel bij de schrijftafel), hoorde ik stemmen boven me, maar of het de tv was of mensen die op bezoek kwamen, weet ik niet. Door het smalle kelderraampje in mijn kamer zag ik de bovengrondse wereld, er zat altijd een kat aan de andere kant van het raam die met een verwaande blik op me neerkeek. Aan de muur hing ik prentbriefkaarten met foto’s van schrijvers die ik goed vond, zoals Virginia Woolf, Marguerite Dumas, Anne Sexton en Torborg Nedreaas, en fragmenten uit mijn lievelingsboeken, zinnen die ik steeds weer opnieuw las. Ik las en schreef, met op de achtergrond het geluid van de kinderen die de trap op en af renden, de geur van vers wasgoed en wasverzachter in de andere kamer, de warmte van de wasdroger.

Aangezien ik nooit gestoord werd, had ik tijd om na te denken, om mijn verhalen op te schrijven. ’s Ochtends vroeg hoorde ik in mijn bed hoe de kinderen zich klaarmaakten voor school, een bal viel op de grond of werd op de grond gegooid, de moeder riep dat de jongste moest voortmaken. Niemand kwam mijn kamer binnen, daar lette ik op. Ik schreef een novelle over een vrouw die op een brief wachtte, ik schreef over mijn moeder die toen ziek was, maar wiste haar weer uit. Voor mij ging literatuur niet over iets wat je had beleefd, ervaren, niet over geesten, spoken of over herinneringen die zijn blijven hangen, maar over vorm, over goed zijn, iets creëren wat op literatuur leek. En de kamer in de kelder was de plaats waar mijn gedachten woonden. Ik werkte meerdere avonden per week als schoonmaakster in een grote, lege kantoortuin, moederziel alleen, en ik vroeg me af of ik een echte baan moest nemen. Ik bedacht dat ik mijn moeder moest bezoeken, maar deed het niet.

’s Zomers trokken ze naar hun hut. De huiseigenares en haar zoons. Die zomer neem ik een foto. Ik draag een zwarte jurk en een gigantische zwarte hoed waarvan ik me niet herinner waar ik die vandaan had, ik neem de foto met de zelfontspanner, glimlach naar een denkbeeldige fotograaf en bedenk dat de foto niet zou misstaan op een boekomslag. Mijn geblondeerde, bijna witte haar, en het contrast met de zwarte hoed. Ik was tevreden over de foto. Maar als ik die later terugzie, ben ik geschokt over hoe zelfverzekerd ik lijk. De zon hangt tot ’s avonds laat over de tuin, de telefoon die gaat in de keuken, soms ren ik naar boven en neem op, vertel dat het gezin op reis is. Op een dag neem ik de hoorn van de haak en er komt geen antwoord, maar er is wel iemand, en dan wordt de lijn opeens verbroken. Een paar dagen later: een mannenstem die naar haar vraagt, wil weten waar ze is. Ik vertel waar ze naartoe gereisd zijn, waarom ook niet. Een week later komt de eigenares thuis in een taxi, haar voet zit in het gips en ze loopt met krukken. Ik heb uit het kelderraam gerookt en in haar tuin gezeten, ik heb zonder toestemming haar telefoon gebruikt. Ik ben niet zo’n beste huurder. Ze zal het niet leuk vinden als ze er uiteindelijk achter komt. Ik hoor haar boven me, haar krukken die dof op de vloer bonken. De kinderen drukken zich onzeker en in vage termen uit over wat er is gebeurd, ze is van een grote steen gevallen, nee uit een boom, nee van een ladder die tegen de muur van een huis stond. Het beeld van haar op een wankele ladder klopt niet. De oudste zit nu vaker op zijn kamer, de middelste, Jasper, staat nog steeds te dralen op de trap. Is er niet iets veranderd aan de blik van de kinderen, kijken ze zorgelijk, of denk ik dat alleen maar achteraf, wellicht, misschien is ze gewoon gevallen.

Ik woonde al meer dan een jaar in het huis en paste die avond op de kinderen toen een van de buren belde en zei hij komt, je moet de deur op slot doen.

Ik woonde al meer dan een jaar in het huis en paste die avond op de kinderen toen een van de buren belde en zei hij komt, je moet de deur op slot doen.

Volgens mij zei ze niet eens over wie het ging, al lijkt dat weinig waarschijnlijk. Ik keek uit de ramen, het donker dat het einde van de straat had opgeslokt, dat over het groepje houten huizen was gaan liggen, de oudste zoon kwam zijn kamer uit, ging op de trap staan en vroeg wat er aan de hand was, de buurvrouw had aan de telefoon gezegd dat ze de politie hadden verwittigd. Iemand had de ex-man gezien, hij zag er gevaarlijk uit. Ze zeggen dat hij een wapen bij zich heeft. Wat voor wapen? vroeg ik. Was het de buurvrouw die een bijl zei, of heb ik dat pas later gehoord?

Ik herinner me dat ik de deur op slot deed, dat ik de gordijnen van de reusachtige woonkamerramen die op de tuin uitkeken dichttrok, naar de keuken liep, bleef staan kijken naar een eierschaal in een kom, het dunne vlies tegen het wit van de schaal, de borden stonden nog op de keukentafel waar we net pannenkoeken hadden gegeten. De jamvlekken op het tafelkleed. De tv die zachtjes zoemde. Alles was rustig. Misschien speelden we iets, Memory, Uno of Domino, tot de twee oudste naar hun kamer gingen, ik keek niet meer naar het donker buiten. De buurvrouw belde opnieuw, het was vals alarm geweest. Ik nam de jongste mee naar de eerste verdieping, de oudste riep vanachter een gesloten deur dat hij aan zijn huiswerk was begonnen, de middelste, Jasper, zat aan zijn schrijftafel over een tekening gebogen. Hij keek op toen ik zei dat hij op zijn kamer moest blijven en glimlachte bedeesd. Ik zette de jongste in bad, hij lachte terwijl ik zijn haar waste. Hoorde ik iets? Een telefoon die ging, of was het de deurbel? Ik draaide de waterkraan dicht, luisterde. Niets, alleen een zacht geluid van beneden, als een klik. Ik tilde de jongen uit bad, zette hem op een krukje en legde een handdoek om zijn schouders. Jasper die niet in zijn kamer zat, de tekening op zijn schrijftafel, de tocht toen ik halverwege de trap was, en de wijd openstaande voordeur die het donker binnenliet. Ik riep Jaspers naam, riep nog eens, er was niemand beneden. Maar ik hoorde stemmen, een draaiende automotor, vanaf de overloop zag ik de taxi op de oprit, een man die instapte, en ik herinner me dat ik zijn gezicht zag, Jaspers gezicht op de achterbank en de taxichauffeur die zich omdraaide, klaar om achteruit te rijden.

In december vorig jaar, vlak voor kerst, ging ik nog eens naar het huis kijken, dat midden in de stad in een afgezonderd groepje houten huizen stond. Het was in een iets andere kleur geschilderd, er stond een tuinhek omheen en er was een portaal gebouwd met ramen waar vroeger het oude trapje naar de voordeur zat, waar ik had gestaan die avond vele jaren geleden. Het huis van de buren, vanwaar iemand me toen had gebeld om me te waarschuwen, zag er nog net zo uit als vroeger, maar was nu omlijst door kerstlichtjes, met sterren aan de ramen en slingers met kleine, ronde ledlampjes om een struik gewikkeld. Ergens was ik blij dat het er zo anders uitzag, het huis waar ik had gewoond, ik kreeg zin om aan te bellen, maar deed het niet, bang dat het verleden misschien zou opendoen en me zou binnenlaten.

Ergens was ik blij dat het er zo anders uitzag, het huis waar ik had gewoond, ik kreeg zin om aan te bellen, maar deed het niet, bang dat het verleden misschien zou opendoen en me zou binnenlaten.

Waarschijnlijk was het huis verkocht, en ik vroeg me af waarheen de kinderen waren verhuisd, waar ze waren opgegroeid. Ik bleef nog een poosje staan kijken, een vrouw liep het trapje van een van de andere huizen op met boodschappentassen en een hond aan de lijn, zette de tassen even op de grond terwijl ze de deur openmaakte, en de hond stak zijn snuit erin en toen zijn hele kop, en ze bukte zich en zei nee, nee. Vanaf de straat kon ik mijn kelderraampje niet zien, misschien bestond mijn kamer niet meer. Ik denk dat ik er bijna twee jaar heb gewoond, in die kelderkamer, ik kende het huis goed. De jongen en de taxi. Ik heb er al die jaren nauwelijks aan gedacht.

Bepaalde delen van het verhaal zullen altijd in het halfduister blijven, sommige details zijn onzichtbaar, terwijl ze misschien wel belangrijk zijn, belangrijker dan andere details waar ik dan weer belang aan hecht omdat ik mijn verhaal vertel, niet dat van een ander, ik stel me niet voor dat ik het verhaal van een ander vertel. Die pijn, die jaren, maken deel uit van wat verborgen is en wat ik niet weet. Van wat anderen zich herinneren, of zijn vergeten. Ergens moet er ook een proloog zijn, want er is altijd een proloog. Wat ik me herinner is de man die uit de taxi stapt omdat hij me ziet staan, ik denk niet dat hij had verwacht iemand te zien, de verbazing over dat zelfingenomen meisje dat de rubberlaarzen van de huiseigenares had aangeschoten, dat begint te zeuren, dat zegt, je kunt hem toch niet zomaar meenemen, zegt dat het niet zijn zoon is en dat zij de oppas is, dat zij op deze kinderen past. Jasper die huilt zonder geluid, ik zeg dat hij uit de auto moet komen, de man verspert me de weg, de verbazing is overgegaan in iets anders, ik ben kwaad, maar ik weet niet of het iets betekent. Nu begint de taxichauffeur ongeduldig te worden en te protesteren. Ze praten met elkaar in een taal die ik niet begrijp, wat me laat vermoeden dat ze elkaar kennen, dat ze vrienden zijn, de indringer vertrouwt hem. Ik herinner me dat ik me vooroverbuig in de taxi, Jaspers arm pak, hij stapt uit, waar denk je wel dat je heen gaat, hij heeft het tegen de jongen, ik zeg iets, maar herinner me niet wat. Zeg ik dat hij moet oprotten, of dat de politie al onderweg is? Ik denk niet dat hij echt gevaarlijk is, en misschien denkt de taxichauffeur dat de buren de politie hebben gebeld, ziet of hoort hij iets wat ik nog niet heb gezien of gehoord, ik trek Jasper met me mee, voorbij de indringer, het trapje op, het huis in, ik draai de deur op slot, doe het licht uit en kijk uit het raam, de auto staat er nog steeds, maar na een paar minuten rijdt hij achteruit en verdwijnt in de smalle weg tussen de huizen. Ik vraag me af waar de buren zijn, waarom ze ons daar alleen lieten staan. De jongste die vanuit de badkamer roept dat hij het koud heeft, zijn handdoek is nat. Ik vraag Jasper of hij wat wil tekenen, hij schudt het hoofd. Wanneer ik weer beneden kom, zit hij op een stoel naast het geruite tafelkleed met een dekentje om zich heen geslagen. Zoals iedereen die gered wordt bij een ongeluk op de weg of uit het water.

Ik herinner me dat de politie toen kwam, twee lange mannen doorzochten de kamers, alsof de dreiging nog steeds aanwezig was, er hangt een speciale sfeer om hen heen, de verwachting van geweld is op zich al verontrustend. De huiseigenares komt thuis, ze vragen haar of ze de man kent. Ja. Nee, hij is niet de vader van de jongen, maar hij heeft hier vroeger wel gewoond, de jongste is zijn zoon. Ze zeggen dat we voorzichtig moeten zijn, dat we hen moeten bellen als iemand probeert binnen te dringen. Goedenacht, zeggen ze, terwijl ze al in de gang staan, hun stemmen verdwijnen de deur uit. Ze kijkt naar mij en naar haar zoon met het dekentje over zijn schouders. De teleurstelling in haar blik begrijp ik niet. Ik loop de trap af naar mijn kamer, mijn kamer in de kelder.

Later geeft ze me een veel te grote ruiker bloemen. De buren hebben haar verteld wat er is gebeurd. Ik weet dat ze me niet mag, wat ik heb gezien heeft zich als een spie tussen ons in gedrongen. Dan komt ze erachter dat ik de telefoon voortdurend heb gebruikt, dat ik in de tuin ben geweest. Die winter verhuis ik, ik trek in bij een woongemeenschap en slaap in een uitgeschakeld waterbed dat me maandenlang een lelijke hoest bezorgt, ik krijg nieuwe vrienden, verhuis opnieuw, vergeet de kelder, de kinderen, de taxi die avond, Jasper. Maar daar ergens, in die epiloog, tussen feesten, boeken, geliefdes, kinderen, huwelijken, vrienden, een paar jaar later, zie ik de advertentie met haar naam, de naam van de huiseigenares. Onverwachts van ons heengegaan, staat er. Over de rest weet ik maar weinig, alleen wat ik in een nieuwsbericht in de krant las, vrouw door ex-man vermoord met jachtgeweer. Haar kinderen hadden haar gevonden.

Ik zie mezelf schrijven, ’s ochtends, ‘s middags, in die kelderkamer. Boven me hoor ik de stemmen van degenen die daar wonen, die daar toen, ondertussen lang geleden, woonden, de spoken, de geesten.

Ik zie mezelf schrijven, ’s ochtends, ‘s middags, in die kelderkamer. Boven me hoor ik de stemmen van degenen die daar wonen, die daar toen, ondertussen lang geleden, woonden, de spoken, de geesten.

Is dat niet wat spoken, geesten zijn: afdrukken die we herkennen, dat wat blijft liggen tot we de vorm vinden die we ermee kunnen opvullen? En is dat niet wat schrijven is? In zekere zin zijn alle verhalen gebaseerd op de vage afdruk van een ogenblik in de tijd, de huid en de botten van een herinnering. Opnieuw vrouw vermoord door partner, las ik vandaag in de krant, tragedie, staat er. En nu deze tekst die ik schrijf, deze wankele structuur van bijeengesprokkelde zinnen om het als het ware helderder te maken, of begrijpelijk. En toch, hoe hulpeloos ook, ik ken geen andere manier. Begrijpen, de delen van een verhaal herkennen, de jongen in de auto, de vrouw die over een rood-wit geruit tafelzeil wrijft, zelfs de man die misschien een bijl bij zich heeft. Ik heb nog steeds die foto van mezelf, genomen met de zelfontspanner op het terras, het is een idiote foto, vast zoals ik me inbeeldde hoe een schrijver eruit moest zien, zelfverzekerd, helder en scherp, niet zoals dit hier, doorgaans krap bij kas, onzeker over wat ik doe, hoor te doen. Struikelen over het verleden, voortdurend proberen iets zinvols te schrijven, schrijven, schrijven om een soort orde in het leven te scheppen, om te begrijpen. Waarom heb je dit of dat geschreven, vraagt er altijd wel iemand. Ik wou dat ik daar een goed antwoord op had, maar meestal heb ik dat niet. Ik weet het niet. Een herinnering misschien. Dat gevoel, van wat ik niet begrijp, wat niet verdwijnt, wat ik betekenis probeer te geven. Er wordt gewoon aan de deur geklopt en ik doe open.

Vertaling: Michiel Vanhee en Sofie Maertens

29.03.2025