Het geheim van de biografie

Mark Schaevers
26.02.2019
Fill 2 Created with Sketch. Auteurstekst
18364 Schaevers Mark © Marco Mertens Aeg

Schrijver, biograaf en criticus Mark Schaevers bereidt zich vrolijk voor op Een leven lezen: een publieksinterview op het Passa Porta Festival met de Nederlandse meesterbiografen Willem Otterspeer (W.F. Hermans) en Onno Blom (Jan Wolkers). Al doende brengt hij ons op het spoor van een aantal knappe biografieën uit binnen- en buitenland, mét nuttige wenken voor wie er zelf aan wil beginnen!

Zal ik maar meteen het grootste geheim van de biografie verklappen? Twee biografieprofessoren, Hans Renders en Nigel Hamilton, geven het prijs in hun recente boek Het ABC van de biografie. Het grootste geheim van de biografie, schrijven zij, is ‘het plezier, de voldoening en het gevoel van zingeving dat het schrijven van een biografie aan de biograaf zelf verschaft’.

Daarom, vervolgen Renders & Hamilton, zijn er maar weinig biografen die het bij hun debuut laten en die géén volgende biografie schrijven. Omdat het voor mezelf klopt (klaar met Felix Nussbaum, nooit klaar met Claus) hoop ik dat ze gelijk hebben met dat biografenplezier als kern van de onderneming.

Einmal ist keinmal

Er valt voor het Nederlandse taalgebied inderdaad een lange lijst samen te stellen van biografen-recidivisten. Aan de kop van het peloton moeten we dan Wim Hazeu plaatsen, als biograaf van Gerrit Achterberg én J. Slauerhoff (recent herwerkt) én Maurits Escher én Simon Vestdijk én Marten Toonder én Lucebert. Hans Renders zelf beschreef het leven van Jan Hanlo en Jan Campert en is nu (met Sjoerd van Faassen) in de weer met Theo van Doesburg. Elsbeth Etty schreef na haar zeer geslaagde biografie van Henriëtte Roland Holst er ook eentje over Willem Willink. Annejet van der Zijl had zin zowel in Annie M.G. Schmidt als prins Bernhard en Gerard Heineken. Jan Willem Stutje leverde in het zog van zijn boeken over Paul de Groot en Ferdinand Domela Nieuwenhuis onlangs een heel interessante biografie af van Hendrik de Man. Eric Min liet op James Ensor Rik Wouters volgen, om vervolgens (met Gerrit Valckenaers) een bredere aanpak te kiezen in het net afgeleverde boek De klank van de stad Venetië. Manu van der Aa liet op Alice Nahon P.G. Van Hecke volgen, bij Mirjam van Hengel leidde Leo Vroman naar Remco Campert. Maaike Meijer legde recent, na haar Vasilis-biografie, de hier nog altijd onderschatte Fritzi Harmsen van Beek in de winkel. Bert Govaerts heeft na Ernest Claes en de politicus Albert De Vleeschauwer zijn zinnen op Marnix Gijsen gezet, Joris van Parys is de begenadigde biograaf van Frans Masereel, Cyriel Buysse én Raymond Brulez.

Oké, oké, ik stop ermee, alleen nog een sliertje boeken van de twee biografen die tijdens het Passa Porta Festival aantreden: van Willem Otterspeer is er niet alleen een tweedelige W.F. Hermans-biografie, hij schreef eerder ook over Gerard Bolland en Johan Huizinga; aan de recente Wolkers-biografie van Onno Blom gingen boeken over Mulisch en Komrij vooraf, en hij is intussen alweer bezig aan een Rembrandt-biografie.

Schaduw en reflectie

Het schrijven van een biografie mag dan een groot plezier zijn, genieten van beroemdheid (gesteld dat de biograaf daar zin in heeft) is er niet aan gekoppeld. De Hermans-biografie van Otterspeer zoek je in de boekhandel onder de H, niet onder de O. Vrij onontbeerlijk voor een biograaf is het vermogen zichzelf weg te cijferen. Richard Holmes wijst er ook op in This Long Pursuit. Reflections of a Romantic Biographer, en hij knoopt er de (voor een biograaf) treurige gedachte aan vast dat er nog altijd veel mensen rondlopen die menen dat een biografie zichzelf schrijft. Nu is Holmes zelf niet meteen een voorbeeld van een tot obscuriteit gedoemd schrijver: niet alleen zijn biografieën van Shelley en Coleridge maar ook de beschrijvingen van zijn eigen parcours als biograaf in Footsteps en Sidetracks hebben hem grote faam bezorgd.

Holmes is niet de enige biograaf die een publiek vond voor een reflectie op het genre en de eigen carrière. Met name in het Angelsaksische taalgebied hebben meerdere biografen hun licht laten schijnen over de biografische arbeid, inzonderheid de hunne. Een vrij recente, heel interessante aanwinst op dat boekenplankje is van de hand van Saul Bellow-biograaf James Atlas: The Shadow in the Garden. A Biographer’s Tale. (Die schaduw in de tuin van een beroemdheid, dat is de biograaf.) Een samentroeping van vele bekende biografen uit de Angelsaksische traditie valt te signaleren in de onvolprezen reeks ‘The Art of The Biography’ van het tijdschrift The Paris Review. Stacy Schiff bijvoorbeeld, biografe van mevrouw Nabokov, die in haar interview een gemeenschappelijk kenmerk bedenkt voor wellicht alle hierboven al genoemde biografen: ‘a faint sense of melancholy’ - het medium van elke biograaf is tenslotte de verdwenen tijd.

Lage landen

Voor wie in ons taalgebied op zoek is naar prikkelende beschouwingen over de biografie hoeft evenmin niet te wanhopen. Broeders in bedrog van Jan Fontijn (biograaf van Frederik van Eeden én Jacob Israël de Haan) is nog even leesbaar als bij het verschijnen ervan een paar decennia geleden, en recent was er het heel interessante boek Vierspan. Over biografieën en het schrijven ervan van Jan van der Vegt; de titel verwijst naar Van der Vegts biografieën over Adriaan Roland Holst, Hendrik de Vries, Jan G. Elburg en Hans Andreus. Dat Onno Blom zijn Memoires van een biograaf. In de voetsporen van Jan Wolkers recent in de prestigieuze reeks Privé-domein kon publiceren is misschien een bewijs dat ook bij ons de biograaf zelf meer in het oog gaat lopen.

Wie daar zin in heeft kan rustig beweren dat het goed gaat met het biografische genre in de Lage Landen. Wikipedia herbergt een erg onvolledige lijst van wel meer dan vierhonderd biografen en dus nog veel meer biografieën uit de jongste decennia. Biografieportaal.nl, de digitale erfgenaam van Tijdschrift voor Biografie, kondigt alleen voor dit voorjaar haast vijftig al dan niet vertaalde biografische werken aan. Ze zijn als te verwachten van zeer uiteenlopende aard: van Sylvia Kristel en Coco Chanel, over Schubert, Gandhi, Rembrandt, Brutus, Hannibal, Hitler, Nietzsches zusters tot hersenverzamelaar Franz Joseph Gall, diplomaat Richard Holbrooke, de wielerfenomenen Peter Post en Eddy Merckx en Mike Passenier, ‘de bekendste kickbokstrainer ter wereld’. Hoeveel van die biografieën met enig serieux zijn aangepakt, valt nog af te wachten: het is een mooi onderwerp voor het Biografie Instituut aan de universiteit van Groningen, want ook zo’n instelling bestaat (directeur: Hans Renders).

Het onderwerp publieksbiografie versus wetenschappelijke biografie gaf overigens vorig jaar aanleiding tot die zeldzame keer dat een discussie over het genre biografie de krantenpagina’s haalde. Betrokken waren daarbij Willem Otterspeer en Onno Blom – ook daarover kan het dus gaan als ze binnenkort naar Brussel afzakken. Blom diende zijn Wolkers-biografie ook in als proefschrift (promotor: Otterspeer), en in eerste instantie werd het geweigerd, wegens niet conform aan de normen van een wetenschappelijke biografie. Wat niet belette dat Blom er later in datzelfde jaar de Nederlandse Biografieprijs voor kreeg. En zo’n prijs bestaat dus ook.

Tien geboden

Maar of een biografie nu de zegen krijgt van de academie of niet, het zal de meeste lezers worst wezen, die willen een goed boek, knap geschreven, betrouwbaar, origineel. De formule voor een geslaagde biografie valt bezwaarlijk een geheim te noemen: er staat uitstekend advies in de al aangestipte literatuur hierboven. James Atlas bijvoorbeeld heeft een gebald voorschrift voor wat de biograaf te doen staat: ‘omission, generalisation, intensification’. Van Renders & Hamilton valt te onthouden hoe ze de te droge feitenopsomming bestrijden: de ‘feitelijke biografie’, schrijven ze, is simpelweg een eufemisme voor een slechte biografie. De biograaf is voor alles een interpreterend verteller. ‘Check the evidence and take command of the story’: hier is weer Richard Holmes aan het woord in This Long Pursuit, waar ook zijn Tien Geboden voor de biograaf te vinden zijn.

  1. Gij zult de biografie eren als levend, experimenteel, veelvoudig in al haar vormen.
  2. Gij zult niet begeren uws naasten roman, want er zijn evenveel kamers in het landhuis van de non-fictie als in het kasteeltje van de fictie.
  3. Gij zult erkennen dat de biografie op haar best altijd een viering is van de menselijke natuur en al haar glorieuze contradicties.
  4. Gij zult van een biografie eisen dat ze boven de roddel uitstijgt omdat ze te maken heeft met historische gerechtigheid en menselijk begrip.
  5. Gij zult niet verlangen dat de biografie een uiterlijk verhaal optekent (de Feiten), alleen maar om een innerlijk leven te onthullen (een Alomvattende Waarheid).
  6. Gij zult erover waken dat deze waarheid ten behoeve van elke generatie steeds opnieuw verteld en onderzocht kan worden.
  7. Gij zult de biografie begroeten als een leven-schenkende vorm, omdat het gaat over de menselijke strijd en de creatieve geest die we allen delen.
  8. Gij zult de biografie appreciëren als een hoogdag van de menselijke verbeelding, want ze neemt ons mee naar een andere tijd, en een andere identiteit – waar we rustig kunnen beginnen te reflecteren over ons eigen leven om verfrist weer terug te keren.
  9. Gij zult onbescheiden trots zijn over de biografie omdat ze een geschenk is van de Engelsen aan de wereld, zoals cricket, het parlement en het Full Cooked Breakfast.
  10. En ten slotte zal de biografie u tot nederigheid stemmen, want ze toont aan dat we nooit het laatste woord kunnen weten of schrijven over het menselijk hart.

Even goed als Holmes is Willem Otterspeer een advocaat van de avontuurlijke biografie, maar zijn pleidooi (op de eerste pagina van het eerste deel van zijn Hermans-biografie De mislukkingskunstenaar) is een stuk beknopter: ‘Alles mag, als het maar niet verveelt.’

Mark Schaevers
26.02.2019